Belastingrecht

Conclusie PG: Belanghebbende, een natuurlijk persoon, is bij beschikking met drie BV's aangemerkt als één…

Zaakgegevens

Op 23 april 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 april 2013
Datum publicatie
22 juni 2013
Zaaknummer
CPG 12/02324
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:CA0820
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie PG:

Belanghebbende, een natuurlijk persoon, is bij beschikking met drie BV's aangemerkt als één ondernemer (fiscale eenheid) als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Bij uitspraak op bezwaar is beslist dat twee BV's ten onrechte in de fiscale eenheid omzetbelasting waren opgenomen, zodat het bezwaar gegrond is. De (beschikking) fiscale eenheid is voor het overige in stand gebleven.

Hof 's-Gravenhage (hierna: het Hof) heeft geoordeeld dat Rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de Rechtbank) terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat belanghebbende de bedrijfsactiviteiten van een BV i.o. heeft verricht, dat hij voor die activiteiten als ondernemer in de zin van de omzetbelasting optrad en dat hij met de overgebleven (zie vorige alinea) BV als fiscale eenheid voor de omzetbelasting is aan te merken. Voorts oordeelde het Hof, evenals de Rechtbank, dat de beschikking fiscale eenheid mocht worden gewijzigd, zoals zij is gewijzigd. Ten slotte oordeelde het Hof dat het geen aanknopingspunten heeft gevonden te oordelen dat sprake is van schending van enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, en dat geen sprake is van strijd met het communautair rechtszekerheidsbeginsel of van strijd met een goede procesorde.

Belanghebbende komt in cassatie met 5 middelen op tegen de oordelen van het Hof.

A-G Van Hilten leidt uit jurisprudentie van de Hoge Raad af dat de beschikking fiscale eenheid voor het bestaan van een fiscale eenheid omzetbelasting van ondergeschikt belang is. Zij meent dat tekst en doel en strekking van artikel 7, lid 4, van de Wet niet in de weg staan aan handhaving van een beschikking fiscale eenheid voor een beperktere groep belastingplichtigen, dan waarvoor de beschikking oorspronkelijk is afgegeven. Anders dan belanghebbende meent, is in casu niet met terugwerkende kracht een ondernemer onder de fiscale eenheid gebracht. Een ondernemer met verschillende ondernemingen kan naar haar mening deelnemen aan een fiscale eenheid, vooropgesteld dat met (al) die ondernemingen wordt voldaan aan de voorwaarden voor deelname aan een fiscale eenheid. De A-G acht niet relevant of aan de ondernemingen afzonderlijke btw-nummers zijn toegekend en of die nummers in de beschikking fiscale eenheid zijn genoemd. Middel I faalt.

Belanghebbendes klachten in middel II, over onder meer de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, slagen volgens A-G Van Hilten, omdat het Hof in het geheel niet ingaat op de uitgebreid gemotiveerde stellingen van belanghebbende en geen enkele motivering geeft voor zijn oordelen.

De A-G meent dat de middelen III en IV falen. Voor middel III geldt haars inziens dat het Hof niet het relevante criterium heeft miskend voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende de ondernemer is achter de door de Inspecteur in stelling gebrachte onderneming. 's Hofs oordeel acht zij ook niet onbegrijpelijk. Belanghebbende lijkt bij middel IV, dat eveneens lijkt op te komen tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende de ondernemer is achter die onderneming, uit te gaan van een verkeerde lezing van de uitspraak van het Hof. Voorts is het oordeel van het Hof feitelijk en, nu het heeft geoordeeld dat de Rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld, niet onbegrijpelijk.

Middel V slaagt volgens de A-G. Zonder nadere toelichting van het Hof, die ontbreekt, komt de A-G tot de conclusie dat het Hof ofwel is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting door niet de situatie per 21 oktober 2005 tot uitgangspunt te nemen, ofwel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom en in hoeverre hij aspecten, die niet per definitie iets zeggen over de situatie per die datum, van belang achtte.

De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en tot verwijzing van de zaak ten aanzien van de middelen II en V.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2012

    ECLI:NL:GHSGR:2012:1208
  2. Hoge Raad · 23 april 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:CA0820

  3. Conclusie A-G · 23 april 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:CA0820
  4. Hoge Raad · 4 april 2014

    ECLI:NL:HR:2014:785

    Conclusie contrair · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt