Belastingrecht
Conclusie PG: In deze procedure is aan de orde de vraag of aanspraak bestaat op teruggaaf van belasting van…
ECLI:NL:HR:2013:CA1529 · Hoge Raad · 7 mei 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2013-ca1529
Zaakgegevens
Op 7 mei 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 mei 2013
- Datum publicatie
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- CPG 12/04003
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:CA1529
Samenvatting
Conclusie PG:
In deze procedure is aan de orde de vraag of aanspraak bestaat op teruggaaf van belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) ter zake van een bestelbus die is omgebouwd om gehandicapte, op een rolstoel aangewezen, leerlingen te vervoeren. De bestelbus kan worden aangepast aan de te vervoeren passagiers, in die zin dat maximaal vier personen in een rolstoel kunnen worden vervoerd, waarbij alle 'normale' stoelen zijn opgeklapt. Er zijn in totaal acht 'gewone' autostoelen (naast die van de bestuurder); als deze alle acht gebruikt worden is er geen ruimte voor het vervoer van personen in een rolstoel. Daartussen in zijn verschillende combinaties mogelijk van vervoer van personen in een rolstoel en personen op een 'gewone' autostoel.
De Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) kent in artikel 15, lid 1, onderdeel g een teruggaafregeling voor voertuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband. Het Hof Amsterdam (hierna: het Hof) is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf. A-G Van Hilten komt tot een andere conclusie.
Wat betreft het gebruik van de bestelauto, kan er volgens de A-G in cassatie van worden uitgegaan dat deze uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van personen die zijn aangewezen op een rolstoel (en hun begeleiders).
De A-G meent dat de tekst van de Wet, noch die van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's 1992 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) bepaalt, dat het vervoer van rolstoelgebruikers zittend in hun rolstoel moet plaatsvinden om voor de in artikel 15 van de Wet bedoelde teruggaaf van bpm in aanmerking te komen. Haars inziens blijft een rolstoelgebruiker een rolstoelgebruiker, ook als deze - met medeneming van zijn/haar rolstoel - in een 'gewone' autostoel wordt vervoerd. Het komt A-G Van Hilten dan ook voor dat het toekennen van een teruggaaf niet mag afstuiten op de omstandigheid dat de rolstoelgebruikers in een gewone autostoel vervoerd worden. Het lijkt A-G Van Hilten althans dat een belastingplichtige naar eer en geweten de Wet en het Uitvoeringsbesluit zo kan lezen dat het bij de teruggaaf van bpm erom gaat dat rolstoelgebruikers 'an sich' worden vervoerd, en dat daarbij niet relevant is hoe zij worden vervoerd, in de rolstoel of op een aparte (auto)stoel, mits de rolstoelgebruiker samen met zijn rolstoel uiteindelijk maar van het beginpunt van het vervoer naar het eindpunt van het vervoer wordt vervoerd.
Aan artikel 11, lid 1, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit kan worden ontleend dat de aanwezigheid in de auto van begeleiders niet hoeft af te doen aan het recht op teruggaaf. Het Hof Arnhem verbond in zijn (onder de werking van de 'oude' bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's in de zin van artikel 50 (oud) van de Wet, gewezen) uitspraak van 9 september 1987, nr. 109/1986, BNB 1989/26, V-N 1989, blz. 583, aan de toepassing van de vrijstelling voor 'het vervoer van gehandicapten in rolstoelen en eventuele begeleiders' de voorwaarde dat er een redelijke verhouding moet bestaan tussen het aantal gewone zitplaatsen dat is bestemd om in verband met het vervoer te worden gebruikt en het aantal plaatsen voor de rolstoelgebruikers. In casu lijkt A-G Van Hilten van een onredelijke verhouding tussen begeleidersplaatsen en rolstoelplaatsen geen sprake.
Al met al concludeert A-G Van Hilten dat in casu voldaan is aan de eis dat de bestelauto uitsluitend gebruikt wordt voor het vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband.
Met betrekking tot de inhoud van het begrip 'ingericht zijn voor...' in de zin van de bpm kan volgens de A-G aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de vraag wanneer een auto - veelal een camper - niet is ingericht voor het vervoer van personen (en daarom buiten het bereik van de bpm kan blijven). Uit die jurisprudentie volgt dat niet het gebruik, maar de aanwendingsmogelijkheid beslissend is voor het antwoord op de vraag of een auto 'is ingericht' voor een bepaald doel.
De onderhavige bestelbus kan in een handomdraai worden omgebouwd van bestelbus met acht stoelen naar bestelbus zonder stoelen en omgekeerd. Naar het oordeel van het Hof kan de bestelbus naar behoefte uitsluitend voor anderen dan rolstoelgebruikers worden gebruikt. Het komt A-G Van Hilten voor dat het Hof hier een onjuiste maatstaf aanlegt. Bij de beantwoording van de vraag of een auto 'is ingericht' voor een bepaald doel, is het gebruik niet doorslaggevend. Uit de wetsgeschiedenis kan geen andere opvatting worden afgeleid. Naar analogie van het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2000, nr. 35771, LJN AA7845, BNB 2001/11, moet volgens de A-G een motorrijtuig dat uit hoofde van zijn bouw kan dienen voor het vervoer van rolstoelgebruikers, voor de toepassing van artikel 15, lid 1, onderdeel g, van de Wet worden aangemerkt als een auto die is ingericht voor het gebruik van rolstoelgebruikers. Dat er daarnaast de mogelijkheid zou zijn om acht niet-rolstoelgebruikers te vervoeren doet aan deze inrichting voor rolstoelgebruik niet af.
Uit voorgaande volgt dat belanghebbendes klachten omtrent 's Hofs oordeel dat alleen sprake is van vervoer van rolstoelgebruikers indien zij tijdens het vervoer in hun rolstoel zitten en zijn oordeel inzake de inrichting van de bestelauto, volgens de A-G slagen en tot cassatie leiden.
De overige klachten, die zien op de motivering van de uitspraak op bezwaar, het niet gegrond verklaren van het hoger beroep door het Hof terwijl de Rechtbank Haarlem in haar uitspraak niet is ingegaan op de motiveringsklacht van belanghebbende, en het in aanmerking nemen van voormelde uitspraak van het Hof Arnhem, falen.
De slotsom is dat het beroep in cassatie volgens de A-G gegrond moet worden verklaard. Het lijkt A-G Van Hilten dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen door de gevraagde teruggaaf te verlenen.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 12 juli 2012
ECLI:NL:GHAMS:2012:BX2316Hoge Raad · 7 mei 2013deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2013:CA1529
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 7 mei 2013
ECLI:NL:PHR:2013:CA1529Hoge Raad · 28 maart 2014
ECLI:NL:HR:2014:690Conclusie gedeeltelijk contrairGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
Derde kamer - uitspraak volgt