Belastingrecht

Conclusie PG: Feiten: De belanghebbende is inwoonster van België en heeft Nederlands dividend genoten waarop…

Zaakgegevens

Op 25 april 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 april 2013
Datum publicatie
22 juni 2013
Zaaknummer
CPG 12/04717
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:CA1565
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie PG:

Feiten: De belanghebbende is inwoonster van België en heeft Nederlands dividend genoten waarop Nederlandse dividendbelasting is ingehouden. Die bronheffing is € 527 hoger dan het bedrag dat van een vergelijkbare inwoner in de inkomstenbelasting (box 3) over het desbetreffende aandelenbezit geheven zou zijn.

In geschil is of en zo ja, in hoeverre de Nederlandse heffing niet-inwoners discrimineert en dus EU-rechtelijk ontoelaatbaar is. Beide partijen betogen primair dat de dividendbelasting los gezien moet worden van de inkomstenbelasting, maar met diametraal verschillende uitkomst: de Staatssecretaris betoogt dat de belanghebbende in de dividendbelasting net zo belast wordt als een ingezetene en dat de inkomstenbelasting buiten beschouwing blijft omdat het EU-recht Nederland toestaat als woonstaat inwoners mede in een eindheffing te betrekken en als bronstaat niet-inwoners alleen in de bronheffing te betrekken. De belanghebbende betoogt dat, nu zij als niet-ingezetene voor haar Nederlandse dividenden niet in de inkomstenbelasting wordt betrokken, zij vergeleken moet worden met een ingezetene die evenmin in de inkomstenbelasting betrokken wordt; een dergelijke ingezetene krijgt de volledige ingehouden dividendbelasting terug.

Rechtbank en Hof hebben beide primaire standpunten verworpen en bepaald dat € 527 aan de belanghebbende gerestitueerd moet worden.

Volgens A.-G. Wattel staat het EU-recht weliswaar toe dat de bronstaat niet-ingezetenen naar een beperkter belastinggrondslag belast dan hij als woonstaat ingezetenen belast, maar niet dat hij niet-inwoners voor hetzelfde onderdeel van het totale inkomen (in casu dividenden) nadeliger belast dan ingezetenen. Daarbij doet niet ter zake met welke (combinatie van) heffing(en) de ene en de andere groep word(t)(en) belast, omdat verschil in heffingstechniek toelaatbaar is als de per saldo resulterende (overall) belastingdruk op hetzelfde inkomen voor de niet-ingezetene maar niet hoger is dan voor de ingezetene. Belanghebbendes bronheffingsdruk moet dus vergeleken worden met de gecombineerde voor- en eindheffingsdruk bij een overigens aan de belanghebbende gelijke inwoner. Nederland als bronland hoeft weliswaar inderdaad niet de internationale juridische dubbele belasting te ontdubbelen die België veroorzaakt en slechts gedeeltelijk opheft door kostenaftrek, maar als Nederland interne juridische dubbele belasting voorkomt door bij inwoners de dividendbelasting te verrekenen met hun inkomstenbelasting, dan zal hij ook niet-inwoners de uit die interne verrekening resulterende lagere belastingdruk in de eindheffing moeten gunnen.

Nu de belanghebbende geen Schumacker-geval is, heeft zij volgens de A.-G. geen aanspraak op heffingsvrij vermogen.

Dan resteert de vraag of de € 527 die Nederland van de belanghebbende méér heft dan van een vergelijkbare inwoner, in België geneutraliseerd wordt doordat de Nederlandse dividendbelasting volgens het toepasselijke belastingverdrag in België verrekend wordt, maar in feite niet verrekend wordt, doch als kosten afgetrokken wordt als gevolg van een eenzijdige Belgische wetswijziging. De Belgische aftrek is circa € 4000 waard, nu het dividend circa € 16.000 bedroeg en het Belgische tarief 25% beloopt. € 4000 is hoger dan € 527. De Staatssecretaris betoogt daarom dat Nederland aan de EU-eisen heeft voldaan: bij bilateraal belastingverdrag is verrekening overeengekomen en in feite heeft ook volledige neutralisatie plaatsgevonden. De A.-G. meent echter dat, nu het Belgische tarief 25% is, slechts (25% * 527 =) € 132 van de waarde van de Belgische aftrek toerekenbaar is aan het discriminerende deel van de Nederlandse heffing, zodat Nederland toch de volle excesheffing ad € 527 moet teruggeven. Doordat België niet volgens het verdrag verrekent, maar eenzijdig slechts aftrek verleent (tegen welke treaty override het EU-recht zich niet verzet), is immers elk lager bedrag aan restitutie te weinig om tezamen met aftrek van het restant in België (welke aftrek immers slechts 25% van die aftrek oplevert) volledige neutralisering op te leveren. 25% (aftrek) is immers altijd lager dan 100% (verrekening) van een bedrag.

Conclusie: beide cassatieberoepen ongegrond.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 29 augustus 2012

    ECLI:NL:GHSHE:2012:BX7087
  2. Hoge Raad · 25 april 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:CA1565

  3. Conclusie A-G · 25 april 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:CA1565
  4. Hoge Raad · 20 december 2013

    ECLI:NL:HR:2013:1774

    Conclusie contrair

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt