Belastingrecht
Conclusie PG: Aan belanghebbende is een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt, die betrekking…
ECLI:NL:HR:2013:CA1574 · Hoge Raad · 7 mei 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2013-ca1574
Zaakgegevens
Op 7 mei 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 mei 2013
- Datum publicatie
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- CPG 12/05525
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:CA1574
Samenvatting
Conclusie PG:
Aan belanghebbende is een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt, die betrekking heeft op elf aangiften voor het vrije verkeer van knoflooktenen. Niet in geschil is dat de knoflooktenen in de aangiften niet juist zijn ingedeeld. Dat betekent echter niet zonder meer dat navordering moet plaatsvinden. Op grond van artikel 220, lid 2, onder b, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) zien de douaneautoriteiten namelijk af van navordering, indien aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan. In onderhavige zaak is (slechts) één van die voorwaarden in geschil: of de douaneautoriteiten een vergissing hebben begaan. Daarnaast is in hoger beroep en in cassatie in geschil of aan de zijde van de douane sprake is van een, aan het opleggen van de utb in de weg staand, handelen in strijd met het zorgvuldigheids- of het rechtszekerheidsbeginsel.
Rechtbank Haarlem oordeelde dat van een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW geen sprake was. Hof Amsterdam (hierna: het Hof) oordeelde daarentegen dat de douaneautoriteiten zich ten aanzien van twee van de elf aangiften hebben vergist. Het Hof oordeelde voorts dat een schending van het zorgvuldigheids- of rechtszekerheidsbeginsel niet aannemelijk is gemaakt.
Belanghebbende komt in cassatie met 2 middelen op tegen de oordelen van het Hof.
A-G Van Hilten is in een gemeenschappelijke bijlage, behorend bij deze zaak en bij de zaak met rolnummer 12/02517, uitgebreid ingegaan op het begrip vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW. De A-G meent ten aanzien van onderhavige casus - cassatiemiddel 2 komt op tegen het oordeel van het Hof over de vergissing - dat met het oog op jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 25 september 2009, nr. 07/10290, LJN BD4373, BNB 2009/284) en het Hof van Justitie (HvJ 23 mei 1989, Top Hit Holzvertrieb, 378/87, en 19 oktober 2000, Hans Sommer GmbH, C-15/99) moet worden vastgesteld dat twee vergissingen bij controle van een aangifte zijn begaan. Die vergissingen zijn door het Hof vastgesteld (en hebben geleid tot vermindering van de utb). Uit deze jurisprudentie leidt A-G van Hilten af dat in een zodanige situatie aanvaard kan worden dat 'ongezien aanvaarde' aangiften na de eerste vergissing opleverende controle, zelf ook moeten worden geacht te berusten op een vergissing. Van de nog in geding zijnde aangiften (althans de utb voor zover deze op die aangiften betrekking heeft) kunnen er drie geacht bij vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, onderdeel b, van het CDW te zijn aanvaard. Aangezien niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden voor toepassing van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW is voldaan, dient de utb volgens de A-G verder te worden verminderd met de naar aanleiding van deze drie aangiften meer geheven douanerechten. Middel 2 slaagt derhalve.
In cassatiemiddel 1 stelt belanghebbende dat tariefindelingsverordeningen constitutief van aard zijn en geen terugwerkende kracht hebben, en dat in casu feitelijk wel sprake was van terugwerkende kracht. Volgens A-G Van Hilten mocht de Inspecteur ter onderbouwing van zijn standpunt - dat sprake is van gekoelde (en niet van bevroren) knoflook(tenen) - wijzen op een dergelijke verordening en brengt dat nog niet mee dat hij die verordening dan met terugwerkende kracht toepast. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel door de Inspecteur is geen sprake. De A-G onderkent in 's Hofs oordeel inzake de inaanmerkingneming van Verordening (EG) 902/2007 door de Inspecteur geen schending van het recht.
De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 11 oktober 2012
ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2299Hoge Raad · 7 mei 2013deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2013:CA1574
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 7 mei 2013
ECLI:NL:PHR:2013:CA1574Hoge Raad · 20 juni 2014
ECLI:NL:HR:2014:1468Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzenVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
Derde kamer - uitspraak volgt