Belastingrecht

CONCLUSIE PG Belanghebbende woont in Duitsland en dreef in de vorm van een vennootschap onder firma een…

Zaakgegevens

Op 14 mei 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 mei 2013
Datum publicatie
22 juni 2013
Zaaknummer
CPG 12/02977
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:CA2292
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

CONCLUSIE PG

Belanghebbende woont in Duitsland en dreef in de vorm van een vennootschap onder firma een onderneming in Nederland. In 2007 heeft belanghebbende haar aandeel in de onderneming ingebracht in een B.V. en verzocht om toepassing van de faciliteit van de geruisloze omzetting van artikel 3.65 Wet IB 2001. Aan de inwilliging van dat verzoek heeft de inspecteur een extra voorwaarde (hierna: de achtste standaardvoorwaarde) verbonden, als gevolg waarvan de aanslag ib/pvv voor het jaar 2006 wordt verhoogd (onder verlening van betalingsuitstel) ter voorkoming van het verlies van een gedeelte van de inkomstenbelastingclaim op de stille reserves en goodwill van de omgezette onderneming. In geschil is of de achtste standaardvoorwaarde mag worden gesteld.

Volgens de rechtbank verschilt de positie van belanghebbende op relevante wijze van Nederlandse ingezetenen die eerst hun onderneming geruisloos omzetten en vervolgens emigreren en mag de achtste standaardvoorwaarde worden gesteld. Het hof heeft echter geoordeeld dat de achtste standaardvoorwaarde bezwarender is dan de voorwaarden die aan binnenlandse belastingplichtigen plegen te worden gesteld. Nu voor het stellen van bezwarender voorwaarden geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is gegeven, komt het stellen van die voorwaarden in strijd met de vrijheid van vestiging en art. 24, lid 2, van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland.

A-G Niessen is van mening dat een buitenlandse omzetter op eenzelfde wijze dient te worden behandeld als een binnenlandse omzetter die vervolgens emigreert. Voor toepassing van de faciliteit van de geruisloze omzetting bevinden binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen zich in een vergelijkbare situatie. De conserverende verhoging van de aanslag en de extra voorwaarden bij een geruisloze omzetting, die alleen gelden voor buitenlandse belastingplichtigen, zijn voor dezen nadelig. Een dergelijke regeling levert hiermee een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit in de zin van artikel 43 EG-verdrag op. Er zijn geen rechtvaardigingsgronden om aan een buitenlandse omzetter bezwarendere voorwaarden op te leggen dan aan een binnenlandse omzetter. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen en met toepassing van artikel 8:72, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat de rechtsgevolgen van de beschikking in stand blijven met dien verstande dat de beschikking van de Inspecteur aldus wordt gewijzigd dat verplaatsing van de feitelijke leiding van de vennootschap naar een ander land dan Nederland niet tot beëindiging van het betalingsuitstel leidt en dat het nog openstaande geconserveerde bedrag ter zake van het claimverlies als gevolg van de geruisloze omzetting na verloop van tien jaar wordt kwijtgescholden.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de staatssecretaris gegrond dient te worden verklaard.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem · 8 mei 2012

    ECLI:NL:GHARN:2012:BW6260
  2. Hoge Raad · 14 mei 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:CA2292

  3. Conclusie A-G · 14 mei 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:CA2292
  4. Hoge Raad · 13 december 2013

    ECLI:NL:HR:2013:1670

    Conclusie gevolgd · (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt