Belastingrecht

CONCLUSIE PG Belanghebbende is door de Ontvanger bij beschikking van 31 januari 2007 als inlener van…

Zaakgegevens

Op 28 mei 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28 mei 2013
Datum publicatie
22 juni 2013
Zaaknummer
CPG 12/02987
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:CA2814
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

CONCLUSIE PG

Belanghebbende is door de Ontvanger bij beschikking van 31 januari 2007 als inlener van personeel en op grond van ketenaansprakelijkheid aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen en omzetbelasting van een derde, over de jaren 2000 en 2001. Van deze derde, de uitlener, een B.V. welke ten tijde van de oplegging van de naheffingsaanslagen reeds was ontbonden, heeft belanghebbende personeel ingeleend. Belanghebbende komt in cassatie op tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag aansprakelijk is gesteld, onder aanvoering van niet minder dan negen middelen.

In verband hiermee maakt de A-G inleidend enkele opmerkingen over de aard en beperkingen van het beroep in cassatie. In cassatie beoordeelt de Hoge Raad ten eerste (en vooral) of in voorgaande instantie(s) rechtens de juiste maatstaven zijn aangelegd. Feitelijke afwegingen en oordelen worden in principe overgelaten aan de rechtbanken en hoven. Cassatie van een feitelijk oordeel kan pas aan de orde komen indien de in eerdere instantie gegeven redengeving, oftewel motivering, onmogelijk een daarop gebaseerd feitelijk oordeel kan dragen. Indien een bepaalde motiveringsklacht daaraan niet voldoet, zal die stranden als ziende op een, geheel of gedeeltelijk, feitelijk oordeel dat niet is aan te merken als onbegrijpelijk.

In de tien middelen komt belanghebbende op tegen de oordelen van het Hof dat:

1. de Ontvanger alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding heeft gebracht;

2. de uitlener in gebreke was met de voldoening van haar belastingschulden ten tijde van het aansprakelijk stellen van belanghebbende voor de schulden van de uitlener;

3. de uitlener als inhoudingsplichtig moet worden aangemerkt voor de personen die bij belanghebbende namens de uitlener de werkzaamheden hebben verricht;

4. de bewijslast op belanghebbende rust om aannemelijk te maken dat de door de Ontvanger gehanteerde berekeningswijze van de beschikking aansprakelijkstelling onjuist is;

5. (i) bij de berekening van de naheffingsaanslagen terecht rekening is gehouden met premies sociale verzekeringen, (ii) de inspecteur terecht een nettoloon heeft gehanteerd bij de berekening van de naheffingsaanslagen, (iii) terecht door de Belastingdienst is uitgegaan van het brutoloon volgens de verzamelloonstaat van de uitlener (iv) het uurloon NLG 13 (2000) en NLG 13,50 (2001) bedroeg;

6. belanghebbende aansprakelijk is voor de door de uitlener verschuldigde loonbelasting welke met toepassing van het eindheffingsregime is berekend;

7. de in artikel 34 van de IW 1990 opgenomen aansprakelijkheid voor de btw niet in strijd is met het EU-recht, meer in het bijzonder met artikel 21, derde lid, van de Zesde Richtlijn;

8. (i) het lange treuzelen van de Ontvanger geen gevolgen heeft voor de beschikking aansprakelijkstelling, (ii) afgifte van een verklaring van betalingsgedrag uitsluitend ziet op de belasting waarvoor door de uitlener aangifte loonbelasting heeft gedaan en niet ziet op de loonbelasting die is verschuldigd volgens een suppletieaangifte (iii) geen sprake is van gewekt vertrouwen door uitwinning en/of deblokkering van het WKA-tegoed van de uitlener;

9. de uitwinning van het WKA-tegoed van de uitlener niet ten onrechte heeft plaatsgevonden en dat, indien rekening zou moeten worden gehouden met tweemaal de genoemde bedragen, dit niet leidt tot een lagere beschikking aansprakelijkstelling.

Het eerste middel ziet op de vraag of alle 'op de zaak betrekking hebbende stukken' door de Ontvanger in het geding zijn gebracht. Het Hof heeft overwogen dat belanghebbende, na ontkenning van bestaan door de Ontvanger van een invorderingsdossier als verlangd, het bestaan daarvan niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit oordeel geeft volgens de A-G geen blijk van een onjuiste bewijslastverdeling en is voor het overige zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat voor nadere toetsing in cassatie geen plaats is. Het middel faalt.

Het tweede middel ziet op het in gebreke zijn van de uitlener met de betaling van zijn belastingschuld. Belanghebbende stelt dat nog niet is vastgesteld dat de uitlener in gebreke was toen belanghebbende aansprakelijk werd gesteld. Belanghebbende zou willen dat de vereffening van de ontbonden uitlener wordt heropend om alsnog eventuele baten vast te stellen. De A-G ziet echter geen redelijke zin, zoals duidelijk aanwijsbare baten, om hier over te gaan tot (hernieuwde) vereffening. Voorts acht de A-G juist de betekening aan het Parket van de Officier van Justitie in het arrondissement Den Haag en/of aan de Kamer van Koophandel R te Q als vereffenaar van de uitlener. Het middel faalt.

In het zevende middel klaagt belanghebbende over het oordeel van het Hof dat niet anders kan worden geconcludeerd dan dat sprake was van wetenschap bij belanghebbende dat door zijn uitlener verschuldigde belasting door deze onbetaald zou worden gelaten. Kennelijk wordt tevens opgekomen tegen het oordeel van het Hof dat geen sprake is van strijd van de inlenersaansprakelijkheid van artikel 34 IW 1990 met de Zesde Richtlijn.

De A-G acht het oordeel van het Hof dat sprake was van wetenschap bij belanghebbende, in de zin dat belanghebbende 'wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat omzetbelasting geheel of gedeeltelijk onbetaald zou blijven', niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Daarmee faalt de klacht. Uitgaande van dergelijke wetenschap acht de A-G de mate van onzorgvuldigheid bij de inlener aanzienlijk. Overigens komt het de A-G voor dat de vraag kan worden gesteld of, in het kader van een evenredige regelgeving, wettelijke toepassing van de verleggingsregeling voor de omzetbelasting, voor de inlener een minder belastende regeling zou kunnen brengen.

De overige middelen kunnen volgens de A-G evenmin tot cassatie leiden. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Gravenhage · 11 mei 2012

    ECLI:NL:GHSGR:2012:BX5691
  2. Hoge Raad · 28 mei 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:CA2814

  3. Conclusie A-G · 28 mei 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:CA2814
  4. Hoge Raad · 20 december 2013

    ECLI:NL:HR:2013:1775

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt