Belastingrecht

HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.

Zaakgegevens

Op 26 september 2014 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 september 2014
Datum publicatie
25 september 2014
Zaaknummer
14/01922
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2014:2822
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2012

    ECLI:NL:RBLEE:2012:2596
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 11 maart 2014

    ECLI:NL:GHARL:2014:2030

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 26 september 2014deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2014:2822

Uitspraak

Inhoudsopgave

26 september 2014

Nr. 14/01922

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 maart 2014, nrs. 12/00282 en 12/00283, op de hoger beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank te Leeuwarden (nrs. AWB 11/1376 en 11/2401) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2005 opgelegde navorderingsaanslag en voor het jaar 2006 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, alsmede de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2014.