Belastingrecht
Zie onderdeel 2.3 van Hoge Raad 19 december 2014, nr. 13/06055/ artikel 81 Ro.
ECLI:NL:HR:2014:3600 · Hoge Raad · 19 december 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2014-3600
Zaakgegevens
Op 19 december 2014 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 december 2014
- Datum publicatie
- 15 december 2014
- Zaaknummer
- 13/06098
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2014:3600
Samenvatting
Zie onderdeel 2.3 van Hoge Raad 19 december 2014, nr. 13/06055/ artikel 81 Ro.
Uitspraak
Inhoudsopgave
19 december 2014
nr. 13/06098
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 29 oktober 2013, nr. 12/00719, op de hoger beroepen van belanghebbende en de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 11/2961) betreffende de beslissing van de Inspecteur geen vergoeding toe te kennen voor kosten in verband met het maken van bezwaar en de beslissing inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Beoordeling van de middelen
Middel III slaagt op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 2.3 van het heden in de zaak met nummer 13/06055 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3 Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 13/06089 en 13/06095 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het Hof heeft verzuimd de Inspecteur te gelasten de hierna te noemen rente te vergoeden,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 478,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een derde van € 1948, derhalve € 649,34 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende rente vergoedt, berekend met inachtneming van hetgeen is overwogen in onderdeel 2.3.2 van het heden in de zaak met nummer 13/06055 uitgesproken arrest van de Hoge Raad.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2014.