Belastingrecht
Art. 15, lid 1, letter q, Wet BRV. Cultuurgrondvrijstelling is noch op de ondergrond van andere opstallen dan…
ECLI:NL:HR:2014:3608 · Hoge Raad · 19 december 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2014-3608
Zaakgegevens
Op 19 december 2014 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 december 2014
- Datum publicatie
- 15 december 2014
- Zaaknummer
- 14/02493
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2014:3608
Samenvatting
Art. 15, lid 1, letter q, Wet BRV. Cultuurgrondvrijstelling is noch op de ondergrond van andere opstallen dan glasopstanden noch op glasopstanden van toepassing.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 4 april 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:1328Hoge Raad · 19 december 2014deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2014:3608
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
19 december 2014
nr. 14/02493
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 april 2014, nr. BK-13/01335, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 13/892) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Uitgangspunten in cassatie
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Op 3 augustus 2010 heeft belanghebbende een perceel tuinland met glasopstanden, andere opstallen en installaties met toe- en aanbehoren verkregen.
Voor het Hof was in geschil of de in artikel 15, lid 1, letter q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wet BRV) opgenomen vrijstelling (hierna: de cultuurgrondvrijstelling) van toepassing is op (a) de glasopstanden zelf, (b) de andere opstallen en (c) de grond onder die andere opstallen.
Het Hof heeft geoordeeld dat de glasopstanden en de andere opstallen niet in de cultuurgrondvrijstelling delen. Het heeft daartoe redengevend geacht dat de vrijstelling slechts ziet op de verkrijging van (onder)grond. De grond onder de andere opstallen deelt wel in de cultuurgrondvrijstelling, omdat die grond bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw wordt geëxploiteerd, aldus het Hof.
3 Beoordeling van het door belanghebbende voorgestelde middel
Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de glasopstanden en de andere opstallen niet delen in de cultuurgrondvrijstelling.
Het middel slaagt niet. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 15, lid 1, letter q, Wet BRV, zoals dat in 2010 luidde, volgt dat onder cultuurgrond wordt verstaan de grond die is bestemd voor veeteelt, akker-, weide-, tuin- en bosbouw, waaronder mede begrepen de ondergrond van glasopstanden (Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 9, blz. 17). Naar de uit deze beschrijving af te leiden bedoeling van de wetgever kunnen opstallen niet worden aangemerkt als cultuurgrond in de zin van voormelde bepaling (vgl. HR 25 juni 1997, nr. 29598, BNB 1997/284). Dat is ook in overeenstemming met de bewoordingen van de vrijstellingsbepaling, die spreekt over “cultuurgrond”. De omstandigheid dat de glasopstanden en de ondergrond daarvan tezamen één onroerende zaak vormen, staat niet in de weg aan de door de wetgever gewenste toepassing van de cultuurgrondvrijstelling op alleen de ondergrond.
4 Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
Het door de Staatssecretaris voorgestelde middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de cultuurgrondvrijstelling kan worden toegepast op de grond onder andere opstallen dan glasopstanden.
Het middel slaagt. Zoals reeds is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1997, nr. 29598, BNB 1997/284, moeten voor de toepassing van de cultuurgrondvrijstelling opstallen en ondergrond in de regel als één geheel worden beschouwd. Alleen voor wat betreft de ondergrond van glasopstanden heeft de wetgever hierop een uitzondering gemaakt. Voor andere opstallen dan glasopstanden heeft derhalve als uitgangpunt te gelden dat de ondergrond niet kan delen in de vrijstelling (vgl. HR 19 september 2014, nr. 13/06088, ECLI:NL:HR:2014:2696, BNB 2014/243).
Gelet op het overwogene onder 4.2 kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
5 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2014.