Belastingrecht

Dividendbelasting. BRK. Artikelen 43, 56 en 57 EG-Verdrag. Artikel 55 LGO-besluit. Prejudiciële vragen: zijn…

Hoge Raad, 6 februari 2015

Zaakgegevens

Op 6 februari 2015 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 februari 2015
Datum publicatie
27 januari 2015
Zaaknummer
11/00453
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2015:121
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dividendbelasting. BRK. Artikelen 43, 56 en 57 EG-Verdrag. Artikel 55 LGO-besluit. Prejudiciële vragen: zijn eigen LGO voor de toepassing van artikel 56 derde staten? Toepassing standstill-bepaling op artikel 11, lid 3, BRK. Gezamenlijke belastingdruk van belang? Invloed rulingpraktijk?

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 16 december 2010

    ECLI:NL:GHAMS:2010:BP0298
  2. Gerechtshof Amsterdam · 16 december 2010

    ECLI:NL:GHAMS:2010:BP0303
  3. Hoge Raad · 23 december 2011

    ECLI:NL:HR:2011:BT1530
  4. Conclusie A-G · 23 december 2011

    ECLI:NL:PHR:2011:BT1530
  5. Conclusie A-G · 2 oktober 2014

    ECLI:NL:PHR:2014:1893
  6. Hoge Raad · 6 februari 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2015:121

    Bekrachtiging/bevestiging · Conclusie gevolgd

  7. Hoge Raad · 6 februari 2015

    ECLI:NL:HR:2015:224

    Conclusie gevolgd

  8. Hoge Raad · 6 februari 2015

    ECLI:NL:HR:2015:225

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

6 februari 2015

nr. 11/00453bis

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van TBG Limited te [Z], Malta (als rechtsopvolger van N.V. [X1]; hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 december 2010, nr. 09/00147, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.

1 Geding in cassatie

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 23 december 2011, nr. 11/00453, ECLI:NL:PHR:2011:BT1530, BNB 2012/198, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.

Bij arrest van 5 juni 2014, X B.V. en TBG Limited, gevoegde zaken C-24/12 en C-27/12, BNB 2014/187, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:

“Het recht van de Unie moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een belastingmaatregel van een lidstaat waardoor het kapitaalverkeer tussen deze lidstaat en zijn eigen land en gebied overzee wordt beperkt, in zoverre daarmee de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd.”

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 2 oktober 2014 nader geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op de nadere conclusie van de Advocaat-Generaal.

2 Nadere beoordeling van het middel

2.1.

In zijn hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest heeft het Hof van Justitie overwogen dat een belastingmaatregel als de onderhavige valt onder de fiscale uitzonderingsclausule zoals opgenomen in artikel 55, lid 2, van het besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de LGO met de Europese Economische Gemeenschap (hierna: het LGO besluit) en mitsdien blijft buiten de werkingssfeer van artikel 47, lid 1, van het LGO-besluit, op voorwaarde dat daarmee de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd.

2.2.

De doelstelling van de onderhavige regeling zoals deze blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de wet waarbij de BRK werd gewijzigd, te weten het ontdoen van de Nederlandse Antillen van het imago van belastingparadijs en het handhaven van de bestaande effectieve belastingdruk op deelnemingsdividenden op dividenden die vanuit Nederland naar de Nederlandse Antillen worden uitgekeerd (vgl. Kamerstukken II 2000/01, 27 910 (R 1695), nr. 3, blz. 1 e.v.), wordt daadwerkelijk en evenredig nagestreefd met het sinds 2002 volgens artikel 11, lid 3, derde volzin, letter a, van de BRK ingevoerde bronbelastingtarief van 8,3 percent (zie de onderdelen 3.5.4 tot en met 3.5.7 van het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van de Hoge Raad).

Hetgeen is overwogen in meergenoemd arrest van het Hof van Justitie laat voorts geen ruimte voor de gevolgtrekking dat de bestreden heffing anderszins in strijd zou zijn met het recht van de Unie.

Het middel faalt.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2015.