Belastingrecht
Inkomstenbelasting; artikel 14b Wet IB 1964, aandelenfusiefaciliteit; Zie tevens zaak met nr. 13/05027; Nieuw…
Hoge Raad, 5 juni 2015
ECLI:NL:HR:2015:1466 · Hoge Raad · 5 juni 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2015-1466
Zaakgegevens
Op 5 juni 2015 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 juni 2015
- Datum publicatie
- 3 juni 2015
- Zaaknummer
- 13/04971
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2015:1466
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Inkomstenbelasting; artikel 14b Wet IB 1964, aandelenfusiefaciliteit; Zie tevens zaak met nr. 13/05027; Nieuw feit beoordeling door het Hof onvoldoende gemotiveerd?
Procesgang
Uitspraak · 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:2892Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 oktober 2014
ECLI:NL:PHR:2014:1915Hoge Raad · 5 juni 2015deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2015:1466
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg · Conclusie contrairGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
5 juni 2015
nr. 13/04971
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X1] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 12 september 2013, nr. 10/00276, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/7569) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2000 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 16 oktober 2014 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van de middelen
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende was vanaf het moment van oprichting van de besloten vennootschap [C] B.V. (hierna: [C]), te weten 22 september 1994, tot het moment van overdracht van alle aandelen in [C] aan [E], een dochtervennootschap van een Amerikaans beursgenoteerd bedrijf, [A] (hierna: [A]), te weten 5 juni 2000, aandeelhouder van [C].
Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2000 ter zake van de overdracht van zijn aandelen in [C] aan [E] geen vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag opgelegd die, behoudens een kleine correctie, overeenstemde met de in de aangifte opgenomen gegevens.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van een renseignement van een ambtgenoot een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, waarbij het door belanghebbende met de verkoop van zijn aandelen in [C] behaalde voordeel als winst uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen.
Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de Inspecteur beschikte over een nieuw feit dat het opleggen van de navorderingsaanslag rechtvaardigt. Voor de gronden van dit oordeel heeft het Hof verwezen naar de overwegingen in de uitspraak op het (ter zitting gelijktijdig behandelde) hoger beroep met kenmerk 11/00968 inzake de aan [X2] opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2000. Een afschrift van die uitspraak is aan de uitspraak van het Hof gehecht.
De middelen 1 en 2 bestrijden ’s Hofs hiervoor in 2.1.4 weergegeven oordeel met de klacht dat het Hof, door slechts te verwijzen naar zijn uitspraak met kenmerk 11/00968, onvoldoende blijk ervan heeft gegeven dat bij belanghebbende sprake is van andere feiten en omstandigheden die bovendien tot het oordeel zouden moeten leiden dat geen sprake is van een nieuw feit.
s Hofs hiervoor in 2.1.4 weergegeven oordeel is, gelezen in samenhang met hetgeen in de uitspraak van het Hof in de zaak met kenmerk 11/00968 is opgenomen in onderdeel 4.1.13, niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de door belanghebbende aangevoerde nadere omstandigheden niet relevant waren. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk in het licht van de omstandigheid dat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de in het kader van de vaststelling van de primitieve aanslag tussen de Inspecteur en belanghebbende gevoerde correspondentie niet heeft geleid tot het verkrijgen van nadere informatie inzake de aandelen in [C].
De middelen 1 en 2 falen.
Middel 3 faalt op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 13/05027 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
3 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2015.