Belastingrecht
Vennootschapsbelasting. Art. 3.26, lid 1, Wet IB 2001. Overdracht van in eigen beheer gevormde…
ECLI:NL:HR:2015:3079 · Hoge Raad · 16 oktober 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2015-3079
Zaakgegevens
Op 16 oktober 2015 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2015
- Datum publicatie
- 14 oktober 2015
- Zaaknummer
- 13/04120
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2015:3079
Samenvatting
Vennootschapsbelasting. Art. 3.26, lid 1, Wet IB 2001. Overdracht van in eigen beheer gevormde pensioenverplichting. Deel van de vergoeding voor de overdracht dat is toe te rekenen aan na-indexatie is niet aftrekbaar in het jaar van overdracht, ook niet als terzake een vergoeding is ontvangen van de pensioengerechtigde.
Procesgang
Uitspraak · 2012
ECLI:NL:RBSGR:2012:5642Gerechtshof Den Haag · 17 juli 2013
ECLI:NL:GHDHA:2013:2709(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 december 2014
ECLI:NL:PHR:2014:2729Hoge Raad · 16 oktober 2015deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2015:3079
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 13/04120
16 oktober 2015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 juli 2013, nr. BK-12/00368, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 10/4660) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2005 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 18 december 2014 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
2 Beoordeling van het middel
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft een pensioenregeling getroffen ten behoeve van de directeur van een op de voet van artikel 15, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met haar gevoegde vennootschap. Zij heeft daartoe een pensioenvoorziening op haar balans gepassiveerd. Na de ingangsdatum wordt het pensioen jaarlijks met drie percent per jaar verhoogd in verband met de stijging van lonen en prijzen (hierna: de na-indexatie).
Bij een met een andere, niet gevoegde, dochtervennootschap gesloten overeenkomst heeft belanghebbende per 31 december 2005 de pensioenverplichting overgedragen aan die dochtervennootschap. Bij het bepalen van de hoogte van de door die dochtervennootschap bedongen overnamevergoeding is rekening gehouden met de na-indexatie.
Het Hof heeft geoordeeld dat op grond van het bepaalde in artikel 3.26, lid 1, Wet IB 2001 het aan de na-indexatie toe te rekenen deel van de overnamevergoeding niet ten laste van de winst kan worden gebracht. Het Hof heeft op grond van het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2003, nr. 37524, ECLI:NL:HR:2003:AE6404, BNB 2003/263, verworpen belanghebbendes standpunt dat toepassing van artikel 3.26, lid 1, Wet IB 2001 niet op haar plaats is omdat de pensioengerechtigde tot ten minste het bedrag van de met de na-indexatie verband houdende lasten eigen bijdragen aan belanghebbende heeft voldaan. Hiertegen richt zich het middel.
Bij zijn hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen is het Hof terecht ervan uitgegaan dat artikel 3.26 Wet IB 2001 ook van toepassing is in een geval als het onderhavige, waarin een pensioenverplichting tegen vergoeding wordt overgedragen aan een zogeheten pensioenvennootschap (zie HR 24 december 2010, nr. 09/03431, ECLI:NL:HR:2010:BM9247, BNB 2011/94). Die oordelen geven ook overigens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het middel faalt derhalve.
3 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2015.