Belastingrecht

Hoge Raad · Cassatie · Belastingrecht

Hoge Raad, 23 december 2016

Zaakgegevens

Op 23 december 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 december 2016
Datum publicatie
21 december 2016
Zaaknummer
16/02269
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:2938
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: art. 80a RO.

Uitspraak

23 december 2016

nr. 16/02269

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 april 2016, nr. 15/621, betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan motorrijtuigenbelasting over het tijdvak 8 februari 2014 tot en met 7 mei 2014.

1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.