Belastingrecht

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Hoge Raad, 25 maart 2016

Zaakgegevens

Op 25 maart 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 maart 2016
Datum publicatie
24 maart 2016
Zaaknummer
15/04544
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:491
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Procesgang

  1. Rechtbank Gelderland · 24 juli 2014

    ECLI:NL:RBGEL:2014:4585
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 25 augustus 2015

    ECLI:NL:GHARL:2015:6337

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 25 maart 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:491

Uitspraak

25 maart 2016

Nr. 15/04544

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 augustus 2015, nr. 14/00971, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Het beroepschrift in cassatie bevat niet de gronden van het beroep.

Bij aangetekende brief van 7 oktober 2015, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgehaald op de afhaallocatie, heeft de griffier van de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld dat verzuim binnen zes weken na de dagtekening van deze brief te herstellen. Die termijn eindigde op 18 november 2015.

Nu herstel van het verzuim niet tijdig heeft plaatsgevonden – de op 27 november 2015 bij de Hoge Raad ingekomen brief wordt als te laat ingekomen buiten beschouwing gelaten –, zal de Hoge Raad met toepassing van het bepaalde in artikel 6:6 Awb het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2016.