Belastingrecht

Inkomstenbelasting. Art. 3.16, lid 1, Wet IB 2001. Aftrekbeperking voor kosten van werkruimte in woning geldt…

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2017 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2017
Datum publicatie
5 oktober 2017
Zaaknummer
17/02537
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:2550
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Inkomstenbelasting. Art. 3.16, lid 1, Wet IB 2001. Aftrekbeperking voor kosten van werkruimte in woning geldt ook als die werkruimte wordt gerealiseerd door uitbreiding van een bestaande woning.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 22 november 2016

    ECLI:NL:RBDHA:2016:14282
  2. Gerechtshof Den Haag · 26 april 2017

    ECLI:NL:GHDHA:2017:1184

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 6 oktober 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2017:2550

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Inhoudsopgave

6 oktober 2017

nr. 17/02537

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 april 2017, nr. BK-16/00595, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 16/5445) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

Aan de middelen 1 en 3 ligt mede ten grondslag de opvatting dat de in artikel 3.16, lid 1, van de Wet IB 2001 voorziene aftrekbeperking voor kosten en lasten die verband houden met een werkruimte niet geldt ingeval met het oog op het verwerven van inkomsten een werkruimte wordt gerealiseerd door uitbreiding van een bestaande woning. Deze opvatting vindt evenwel geen steun in de tekst van artikel 3.16, lid 1, van de Wet IB 2001 noch in de totstandkomingsgeschiedenis daarvan. De middelen falen in zoverre.

2.2.

De middelen voor het overige kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2017.