Belastingrecht
Art. 6:6 en art. 8:37, lid 2, Awb. Mocht Rechtbank beroep niet-ontvankelijk verklaren na overschrijding van…
Hoge Raad, 30 maart 2018
ECLI:NL:HR:2018:458 · Hoge Raad · 30 maart 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2018-458
Zaakgegevens
Op 30 maart 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 maart 2018
- Datum publicatie
- 29 maart 2018
- Zaaknummer
- 17/04403
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:458
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 6:6 en art. 8:37, lid 2, Awb. Mocht Rechtbank beroep niet-ontvankelijk verklaren na overschrijding van per faxbericht gestelde termijn? ECLI:NL:HR:2007:BB9537, ECLI:NL:HR:2013:BY3238 en ECLI:NL:HR:2014:1455.
Uitspraak
30 maart 2018
nr. 17/04403
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 17 oktober 2017, nr. AWB 17/395, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2016 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn heeft een verweerschrift ingediend.
2 Beoordeling van de klacht
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
De gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde) heeft een beroepschrift ingediend tegen een uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar. In het beroepschrift zijn geen gronden van het beroep vermeld. Voorts is geen machtiging overgelegd. In het beroepschrift is door de gemachtigde zowel een postadres als een faxnummer vermeld waarop zij bereikbaar is.
De Rechtbank heeft belanghebbende in een brief, die op 10 februari 2017 per fax naar het hiervóór bedoelde faxnummer is verzonden, in de gelegenheid gesteld binnen vier weken het beroepschrift met de gronden van het beroep aan te vullen en een schriftelijke volmacht over te leggen.
De gemachtigde heeft, na afloop van deze termijn, verzocht het beroepschrift te mogen aanvullen. Daarbij is naar voren gekomen dat de gemachtigde zich op het standpunt stelde de fax niet te hebben ontvangen. De Rechtbank heeft dit verzoek niet gehonoreerd.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 14 april 2017 (nummer AWB 17/395) met toepassing van artikel 8:54 Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende niet binnen de gestelde termijn de in 2.1.2 genoemde verzuimen heeft hersteld.
Tegen deze uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende verzet gedaan. De Rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard op de grond dat aannemelijk is dat het faxbericht op 10 februari 2017 naar de gemachtigde is verzonden en hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd onvoldoende is om aan te nemen dat de gemachtigde het faxbericht niet heeft ontvangen. Hiertegen richt zich de klacht.
Artikel 8:37 van de Awb houdt de regel in dat de rechtbank processtukken verzendt bij brief. Daarbij is bovendien geregeld wanneer een stuk moet worden verzonden bij aangetekende brief of bij brief met ontvangstbevestiging, en wanneer bij gewone brief. De rechtbank kan echter bepalen dat hiervan wordt afgeweken.
Indien een gerecht gebruik maakt van faxverkeer dient het er rekening mee te houden dat die wijze van communicatie van de geadresseerde vereist dat deze bijzondere maatregelen neemt om veilig te stellen dat een hem aldus toegezonden bericht dezelfde aandacht krijgt als hij gewoon is te geven aan bij hem bezorgde brieven, in het bijzonder brieven van gerechtelijke instanties. Dit brengt mee dat een gerecht een besluit om per fax een termijn te stellen voor herstel van een in potentie fataal verzuim, bekend dient te hebben gemaakt alvorens zich van een dergelijk communicatiemiddel te bedienen (vgl. HR 7 december 2007, nr. 43106, ECLI:NL:HR:2007:BB9537, BNB 2008/155; zie ook HR 12 april 2013, nr. 11/05101, ECLI:NL:HR:2013:BY3238, BNB 2013/161 en HR 20 juni 2014, nr. 13/02432, ECLI:NL:HR:2014:1455, BNB 2014/166).
In artikel 2, lid 2, van de Procesregeling bestuursrecht 2013 (Stcrt. 2014, nr. 9197, hierna: de procesregeling) hebben de rechtbanken bepaald dat toezending van stukken waarin een laatste termijn wordt gesteld voorafgaande aan mogelijke vereenvoudigde afdoening aangetekend, met bericht van ontvangst of per fax kan geschieden. De procesregeling vermeldt niet in welke (categorieën van) gevallen van de fax gebruik zal worden gemaakt. Daardoor bestaat ook na invoering van de procesregeling een zodanige mate van onzekerheid over het gebruik van de fax door de rechtbanken, dat van betrokkenen niet kan worden verlangd dat zij de hiervoor in 2.2.2 bedoelde bijzondere maatregelen nemen. Dat kan eerst van hen worden verlangd als de procesregeling van een gerecht inhoudt dat alle stukken, dan wel alle stukken van een categorie waartoe het onderhavige stuk behoort, in de regel of in alle gevallen per fax worden verzonden indien de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij (ook) langs deze weg bereikbaar is (zie voormelde arresten van de Hoge Raad van 12 april 2013 en 20 juni 2014).
In het onderhavige geval heeft de griffier van de Rechtbank in het hiervoor in 2.1.2 bedoelde faxbericht aan de gemachtigde een termijn van vier weken voor herstel van verzuimen gesteld. Vervolgens is het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard, omdat herstel uitbleef en niet tijdig om verlenging van de termijn is verzocht.
Aangezien de uitspraak van de Rechtbank en de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de Rechtbank haar beslissing om van faxverkeer gebruik te maken niet anderszins aan de gemachtigde bekend had gemaakt, brengt het voorgaande mee dat zij aan het niet-naleven van een in het onderhavige faxbericht gestelde termijn, geen voor de geadresseerde nadelige gevolgen mocht verbinden. De klacht slaagt daarom.
De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan het verzet afdoen. Het verzet dient gegrond te worden verklaard.
3 Proceskosten
Het dagelijks bestuur van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het verzet bij de Rechtbank (vgl. HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1336, 16/05760, BNB 2017/185).
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet,
verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank van 14 april 2017 gegrond,
verstaat dat die uitspraak vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek moet voortzetten in de stand waarin het zich bevond,
gelast dat het dagelijks bestuur van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124,
veroordeelt het dagelijks bestuur van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de heffingsambtenaar van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn in de kosten van het verzet bij de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 501 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2018.