Belastingrecht
Art. 6.17 Wet IB 2001 (tekst 2009). Vaststelling uitgaven voor specifieke zorgkosten in goede justitie. Het…
Hoge Raad, 5 januari 2018
ECLI:NL:HR:2018:5 · Hoge Raad · 5 januari 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2018-5
Zaakgegevens
Op 5 januari 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 januari 2018
- Datum publicatie
- 4 januari 2018
- Zaaknummer
- 17/00124
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:5
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 6.17 Wet IB 2001 (tekst 2009). Vaststelling uitgaven voor specifieke zorgkosten in goede justitie. Het Hof heeft de bewijslast onjuist verdeeld dan wel zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 5 september 2017
ECLI:NL:PHR:2017:915Hoge Raad · 5 januari 2018deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2018:5
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
5 januari 2018
Nr. 17/00124
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 december 2016, nr. 15/00674, op het hoger beroep van wijlen [A], gewoond hebbende te [Z] (hierna: belanghebbende), tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/6552) betreffende een aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 5 september 2017 geconcludeerd tot gegrondverklaring van zowel het principale als het incidentele beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:915).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende is invalide en heeft in de jaren 2008 en 2009 zijn woning aangepast (hierna: de woningaanpassing) voor een bedrag van € 559.874,04. De woningaanpassing heeft geleid tot een waardestijging van de woning met € 75.000 tot € 375.000.
Belanghebbende heeft op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten een tegemoetkoming gekregen in de kosten van de woningaanpassing groot € 103.429,27.
In het jaar 2009 hebben belanghebbende en zijn echtgenote op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001 gekozen voor toerekening van 53,9 percent van de persoonsgebonden aftrek aan belanghebbende en 46,1 percent aan zijn echtgenote. Belanghebbende heeft in dat jaar ter zake van de woningaanpassing een bedrag van € 120.492 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten aangegeven. Zijn echtgenote heeft een bedrag van € 102.979 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten aangegeven.
De Inspecteur heeft bij brief van 17 april 2012 vragen gesteld aan belanghebbende en zijn echtgenote over de kosten van de woningaanpassing. Belanghebbende heeft de vragen beantwoord bij brief van 25 april 2012 en daarbij diverse bijlagen gevoegd.
Met dagtekening 24 augustus 2012 heeft de Inspecteur de aanslagen IB/PVV en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van de echtgenote van belanghebbende voor het jaar 2008 vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de woningaanpassing geheel op grond van medische noodzaak heeft plaatsgevonden of dat zij deels is voortgekomen uit persoonlijke woonvoorkeuren van belanghebbende.
Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat alle gemaakte kosten volledig voortkomen uit medische noodzaak. Daarom heeft belanghebbende ook niet aannemelijk gemaakt dat hij zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het besteden van een bedrag van € 559.874,04 aan de aanpassing van zijn woning in verband met invaliditeit. Het Hof heeft voorts het beroep van belanghebbende op het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel afgewezen.
De Inspecteur heeft naar ’s Hofs oordeel evenmin aannemelijk gemaakt dat door belanghebbende en zijn echtgenote in het jaar 2009 in totaal niet meer dan een bedrag van € 19.624 als specifieke zorgkosten ter zake van de woningaanpassing in aanmerking kan worden genomen. Rekening houdend met onder meer de gekozen verdeling van de persoonsgebonden aftrek, heeft het Hof de bij belanghebbende in 2009 in aftrek te brengen kosten van de woningaanpassing in goede justitie vastgesteld op € 92.000.
3 Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
3.1.1. Tegen ’s Hofs vaststelling in goede justitie richt zich het principale beroep in cassatie met één middel.
3.1.2. Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 17/00123 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.
4 Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen
Middel 3 klaagt erover dat het Hof belanghebbendes verzoek om een integrale proceskostenvergoeding zonder nadere motivering heeft afgewezen. Het middel faalt op grond van hetgeen is overwogen in het heden in de zaak met nummer 17/00123 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2018.