Belastingrecht

Kolenbelasting. Art. 44, lid 2, Wet belastingen op milieugrondslag (tekst tot 1 januari 2013); art. 14, lid…

Hoge Raad, 8 juni 2018

Zaakgegevens

Op 8 juni 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 juni 2018
Datum publicatie
7 juni 2018
Zaaknummer
15/05429
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:862
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kolenbelasting. Art. 44, lid 2, Wet belastingen op milieugrondslag (tekst tot 1 januari 2013); art. 14, lid 1, onderdeel a, Richtlijn 2003/96/EG; art. 11 Overeenkomst inzake Partnerschap en Samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en de Russische Federatie; art. 110 VWEU; art. III GATT. Afschaffing van de vrijstelling voor de invoer en uitslag van kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30 percent is niet in strijd met het Unierecht.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 12 augustus 2014

    ECLI:NL:RBDHA:2014:10589
  2. Gerechtshof Den Haag · 16 oktober 2015

    ECLI:NL:GHDHA:2015:3415

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Conclusie A-G · 1 februari 2017

    ECLI:NL:PHR:2017:27
  4. Hoge Raad · 8 juni 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:862

    Bekrachtiging/bevestiging · Conclusie contrair

Uitspraak

8 juni 2018

nr. 15/05429

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] N.V. (thans: [X] N.V.) te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 16 oktober 2015, nr. BK-14/01429, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 13/10366) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan kolenbelasting over het tijdvak januari 2013. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 1 februari 2017 geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:NL:PHR:2017:27).

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 16/01382 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018.