Belastingrecht
Omzetbelasting; artt. 7 en 15, lid 1, Wet OB; recht op aftrek ter zake van kosten voor het op eigen…
ECLI:NL:HR:2018:864 · Hoge Raad · 8 juni 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2018-864
Zaakgegevens
Op 8 juni 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juni 2018
- Datum publicatie
- 7 juni 2018
- Zaaknummer
- 16/02056
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:864
Samenvatting
Omzetbelasting; artt. 7 en 15, lid 1, Wet OB; recht op aftrek ter zake van kosten voor het op eigen initiatief voeren van collectieve juridische acties? Rechtstreeks en onmiddellijk verband met belaste afwikkelingsactiviteiten? Verwijzing.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 12 januari 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:5500Gerechtshof Den Haag · 4 maart 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:1011(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 juni 2017
ECLI:NL:PHR:2017:546Hoge Raad · 8 juni 2018deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2018:864
(Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzenVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
8 juni 2018
nr. 16/02056
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 maart 2016, nrs. BK-15/00211 en BK-15/00212, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 13/10241 en SGR 13/10244) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 april 2012 tot en met 30 juni 2012. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 2 juni 2017 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:546).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende op de voet van artikel 15, lid 1, letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die haar in rekening is gebracht ter zake van aan haar verrichte leveringen en verleende diensten die zij heeft gebruikt voor het verrichten van de in onderdeel 3.1 van de uitspraak van het Hof bedoelde collectieve juridische acties.
Het Hof heeft in onderdeel 6.3 van zijn uitspraak geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op aftrek van de op de kosten van de collectieve juridische acties drukkende omzetbelasting aangezien die collectieve juridische acties en daarmee ook de desbetreffende kosten rechtstreeks verband houden met de door belanghebbende uitgevoerde, door het Hof als afwikkelingsactiviteiten aangeduide aan omzetbelasting onderworpen werkzaamheden. Het middel keert zich tegen dit oordeel.
Het middel slaagt. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet inzichtelijk hoe het Hof tot dit oordeel is gekomen.
Met zijn oordeel heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de aan belanghebbende ter zake van de collectieve juridische acties in rekening gebrachte omzetbelasting aftrekbaar is omdat de kosten van die acties rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met de afwikkelingsactiviteiten. Dit oordeel verdraagt zich zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet met hetgeen het Hof in de onderdelen 3.2 en 3.3 van zijn uitspraak heeft vastgesteld omtrent de werkwijze van belanghebbende. Uit die feitenvaststelling komt naar voren dat de afwikkelingsactiviteiten van belanghebbende plaatsvinden op verzoek van de aangesproken bedrijven en tegen een afzonderlijke vergoeding, hetgeen niet duidt op een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de kosten van de – op eigen initiatief van belanghebbende gevoerde – collectieve juridische acties en de afwikkelingsactiviteiten.
Uit hetgeen hiervoor in 2.2.2 is overwogen, volgt dat ’s Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe behandeling van de zaak in volle omvang.
3 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018.