Belastingrecht
HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
ECLI:NL:HR:2019:1571 · Hoge Raad · 11 oktober 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2019-1571
Zaakgegevens
Op 11 oktober 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 oktober 2019
- Datum publicatie
- 10 oktober 2019
- Zaaknummer
- 19/03750
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:1571
Samenvatting
HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Procesgang
Uitspraak · 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:10128Gerechtshof Den Haag · 25 juni 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:1932Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Hoge Raad · 11 oktober 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:1571
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/03750
Datum 11 oktober 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 juni 2019, nrs. BK-19/00064 t/m BK-19/00081, BK-18/00941 en BK-18/00942, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. AWB 06/8761-isv, AWB 06/8782-isv, SGR 08/2743-isv, SGR 08/7857-isv, SGR 08/7863-isv, SGR 08/7865-isv, SGR 08/8756-isv, SGR 08/8758-isv tot en met SGR 08/8761-isv, SGR 10/8251-isv, SGR 10/8261-isv, SGR 10/8760-isv, SGR 11/5396-isv, SGR 11/5402-isv, SGR 11/5404-isv, SGR 11/5406-isv, SGR 11/5409-isv en SGR 11/5410-isv, betreffende een verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De griffier van het Hof heeft op de uitspraak van het Hof aangetekend dat een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen is verzonden op 25 juni 2019.
Uit een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening blijkt dat dit beroepschrift op 8 augustus 2019 bij de griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
Het beroepschrift in cassatie is dus niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb gestelde termijn van zes weken, die in het onderhavige geval eindigde op 6 augustus 2019. Het is ook niet tijdig ingediend in de zin van artikel 6:9, lid 2, Awb.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 14 augustus 2019 in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd, of mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Hetgeen belanghebbende in zijn brief van 30 augustus 2019 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
2 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2019.