Belastingrecht

HR verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Zie ook: 18/00356, ECLI:NL:HR:2019:136.

Zaakgegevens

Op 22 februari 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 februari 2019
Datum publicatie
21 februari 2019
Zaaknummer
18/00357
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:277
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Zie ook: 18/00356, ECLI:NL:HR:2019:136.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2016

    ECLI:NL:RBZWB:2016:6379
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 14 december 2017

    ECLI:NL:GHSHE:2017:5653

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 31 oktober 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:1367
  4. Hoge Raad · 22 februari 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:277

Uitspraak

Inhoudsopgave

22 februari 2019

Nr. 18/00357

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 december 2017, nrs. 16/03882 tot en met 16/03885, op het hoger beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 14/3473 tot en met 14/3476) betreffende de aan belanghebbende over de periode 2008 tot en met 2011 opgelegde naheffingsaanslagen in de loonheffingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 31 oktober 2018 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1367).

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, omdat de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (zie het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/00356, ECLI:NL:HR:2019:136, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht).

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 18/00356, ECLI:NL:HR:2019:136, met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 3.456, derhalve € 1.728, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw,
M.A. Fierstra, J. Wortel en L.F. van Kalmthout in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2019.

Van de Staatssecretaris wordt een griffierecht geheven van € 508.