Belastingrecht
Art. 6 en 6a AKW; art. 13, lid 1 en lid 2, onder a, Vo. 1408/71; art. 45 en 48 VWEU. Ingezetene met beperkte…
ECLI:NL:HR:2020:18 · Hoge Raad · 24 januari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2020-18
Zaakgegevens
Op 24 januari 2020 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 24 januari 2020
- Datum publicatie
- 9 januari 2020
- Zaaknummer
- 16/03747 bis
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:18
Samenvatting
Art. 6 en 6a AKW; art. 13, lid 1 en lid 2, onder a, Vo. 1408/71; art. 45 en 48 VWEU. Ingezetene met beperkte dienstbetrekking in Duitsland (mini-job), waardoor zij aldaar niet verzekerd is. Arrest na prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (in de gevoegde zaken C-95/18 en C-96/18, ECLI:EU:C:2019:767). Uitsluiting van de Nederlandse volksverzekeringen niet strijdig met Unierecht.
Procesgang
Centrale Raad van Beroep · 6 juni 2016
ECLI:NL:CRVB:2016:2144Centrale Raad van Beroep · 6 juni 2016
ECLI:NL:CRVB:2016:2145Centrale Raad van Beroep · 6 juni 2016
ECLI:NL:CRVB:2016:2153Centrale Raad van Beroep · 12 augustus 2016
ECLI:NL:CRVB:2016:3055Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 maart 2017
ECLI:NL:PHR:2017:222Hoge Raad · 2 februari 2018
ECLI:NL:HR:2018:127Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 november 2019
ECLI:NL:PHR:2019:1166Uitspraak · 2019
ECLI:EU:C:2019:252Uitspraak · 2019
ECLI:EU:C:2019:767Hoge Raad · 24 januari 2020
ECLI:NL:HR:2020:17Hoge Raad · 24 januari 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:18
Hoge Raad · 24 januari 2020
ECLI:NL:HR:2020:19
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 16/03747bis
Datum 24 januari 2020
ARREST
in de zaak van
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
tegen
C.E. FRANZEN te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 juni 2016, nr. 08/5412 AKW, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.
1 Geding in cassatie
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 2 februari 2018, nr. 16/03747, ECLI:NL:HR:2018:127, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.
Bij arrest van 19 september 2019, Van den Berg , Giesen en Franzen , in de gevoegde zaken C-95/18 en C-96/18, ECLI:EU:C:2019:767, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie, uitspraak doende op die vragen, voor zover voor deze zaak van belang, voor recht verklaard:
“1) De artikelen 45 en 48 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke een migrerende werknemer die in deze lidstaat woont en op grond van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006, is onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van de werklidstaat, niet verzekerd is voor de volksverzekeringen van die woonlidstaat, ook al komt die werknemer volgens het recht van de werklidstaat niet in aanmerking voor een ouderdomspensioen of kinderbijslag.”
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op dit arrest. De Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) heeft schriftelijk gereageerd.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 14 november 2019 nader geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van de SVB (ECLI:NL:PHR:2019:1166).
De SVB heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Nadere beoordeling van het middel
Uit de hiervoor onder 1 weergegeven verklaring voor recht volgt dat op grond van de artikelen 45 en 48 VWEU Nederland als woonstaat niet verplicht is om in afwijking van zijn nationale wetgeving (artikel 6a, aanhef en letter b, van de Algemene Kinderbijslagwet, hierna: AKW) aan belanghebbende kinderbijslag toe te kennen voor een tijdvak waarin zij op grond van artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Verordening 1408/71) onderworpen is geweest aan de socialezekerheidswetgeving van haar werkland.
Het middel van de SVB slaagt.
De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep moet worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de AKW, en de vergoeding van proceskosten en griffierecht voor het beroep bij de Rechtbank Maastricht. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De uitspraak van de Rechtbank Maastricht moet worden bevestigd.
3 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep voor zover deze betrekking heeft op de AKW, en de vergoeding van proceskosten en griffierecht voor het beroep bij de Rechtbank Maastricht, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank Maastricht.
Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2020.