Belastingrecht
HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
ECLI:NL:HR:2020:355 · Hoge Raad · 28 februari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2020-355
Zaakgegevens
Op 28 februari 2020 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 februari 2020
- Datum publicatie
- 26 februari 2020
- Zaaknummer
- 19/05308
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:355
Samenvatting
HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Procesgang
Uitspraak · 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:9659Centrale Raad van Beroep · 8 oktober 2019
ECLI:NL:CRVB:2019:3242Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Hoge Raad · 28 februari 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:355
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/05308
Datum 28 februari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE NISSEWAARD
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 oktober 2019, nrs. 18/70 en 18/71 PW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. 17/02524 en 17/02525) betreffende een beschikking ingevolge de Participatiewet.
1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Uit de stukken van het geding blijkt dat een afschrift van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep aangetekend aan belanghebbende is verzonden op 11 oktober 2019.
Uit een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening blijkt dat dit beroepschrift op 26 november 2019 bij de griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
Het beroepschrift in cassatie is dus niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb gestelde termijn van zes weken, die in dit geval eindigde op 22 november 2019.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 2 december 2019 in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd, of mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Met hetgeen belanghebbende in zijn brief van 20 december 2019 aanvoert, is niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd. Wat belanghebbende heeft aangevoerd, kan ook niet leiden tot het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
2 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.