Belastingrecht

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Zaakgegevens

Op 11 juni 2021 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 juni 2021
Datum publicatie
10 juni 2021
Zaaknummer
21/00811
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:875
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 21/00811

Datum 11 juni 2021

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende),

vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 3 februari 2021, nrs. SGR 20/3331 V en SGR 20/3332 V.

1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Het via het webportaal van de Hoge Raad ontvangen beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 11 maart 2021 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld dat verzuim binnen zes weken na de dagtekening van dat bericht te herstellen. Die termijn eindigde op 22 april 2021.
Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitaal dossier van belanghebbende is eveneens op 11 maart 2021 een notificatie verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven emailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 11 maart 2021.
Belanghebbende heeft het hiervoor bedoelde verzuim niet hersteld. Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 6:6 Awb het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2021.