Belastingrecht

Hoge Raad · Cassatie · Belastingrecht

Zaakgegevens

Op 8 september 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 september 2023
Datum publicatie
7 september 2023
Zaaknummer
22/00327
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:1170
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Proceskosten

Procesgang

  1. Uitspraak · 2020

    ECLI:NL:RBNNE:2020:3900
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 21 december 2021

    ECLI:NL:GHARL:2021:11833

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 8 september 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:1170

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 22/00327

Datum 8 september 2023

ARREST

op een door [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) gedaan verzoek als bedoeld in artikel 29f, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

1 Verzoek om veroordeling in de proceskosten

1.1

De Staatssecretaris van Financiën, vertegenwoordigd door [P], heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, nr. 20/01125, betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft nadien het beroep in cassatie ingetrokken.

1.2

Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht de Staatssecretaris bij afzonderlijke uitspraak – met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 Awb – te veroordelen in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het beroep in cassatie en dit bedrag overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) vast te stellen.

1.3

De Staatssecretaris heeft naar aanleiding van dat verzoek een verweerschrift ingediend. Hij concludeert dat aan belanghebbende een vergoeding van de in cassatie gemaakte proceskosten toekomt, berekend overeenkomstig het Besluit.

2 Beoordeling van het verzoek

De Hoge Raad ziet, gelet op de inhoud van het procesdossier en de gegevens die door partijen op dit punt zijn verstrekt, aanleiding voor vergoeding van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand gaat de Hoge Raad uit van de waarde per punt die is neergelegd in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit (tekst vanaf 1 januari 2023).

3 Beslissing

De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.674 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2023.

ECLI:NL:GHARL:2021:11833. Vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.8.