Belastingrecht

Vennootschapsbelasting; art. 8 Wet vpb in samenhang gelezen met art. 3.29 Wet IB 2001; art. 1 Eerste Protocol…

Zaakgegevens

Op 17 maart 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17 maart 2023
Datum publicatie
16 maart 2023
Zaaknummer
20/03460
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:421
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Vennootschapsbelasting; art. 8 Wet vpb in samenhang gelezen met art. 3.29 Wet IB 2001; art. 1 Eerste Protocol bij EVRM; waardering pensioenverplichting; hoogte rekenrente.

Procesgang

  1. Rechtbank Gelderland · 5 juni 2019

    ECLI:NL:RBGEL:2019:2471
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 30 juni 2020

    ECLI:NL:GHARL:2020:5098

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Gerechtshof Amsterdam · 7 juli 2020

    ECLI:NL:GHAMS:2020:1923
  4. Gerechtshof Den Haag · 5 april 2022

    ECLI:NL:GHDHA:2022:869
  5. Conclusie A-G · 16 januari 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:125
  6. Conclusie A-G · 16 januari 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:126
  7. Conclusie A-G · 16 januari 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:137
  8. Conclusie A-G · 16 januari 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:70
  9. Hoge Raad · 17 maart 2023

    ECLI:NL:HR:2023:324
  10. Hoge Raad · 17 maart 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:421

  11. Hoge Raad · 17 maart 2023

    ECLI:NL:HR:2023:425

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 20/03460

Datum 17 maart 2023

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 juni 2020, nr. 19/00905, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 18/4315) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.O. Lever, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 16 januari 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de klachten

2.1

Voor zover de klachten aan de orde stellen of het waarderingsvoorschrift van artikel 3.29 Wet IB 2001 in samenhang gelezen met artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in strijd is met het door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM beschermde recht op het ongestoord genot van eigendom, falen zij op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverweging 3.2.2 van het arrest met nummer 20/02644 dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken (ECLI:NL:HR:2023:324).

2.2

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2023.

ECLI:NL:GHARL:2020:5098. ECLI:NL:PHR:2023:125 met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:137.