Belastingrecht

Beschikking inzake belastingrente; art. 9, leden 4 en 5, Wet op het BTW-compensatiefonds; artt. 30h en 30hb…

Zaakgegevens

Op 9 juni 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 juni 2023
Datum publicatie
8 juni 2023
Zaaknummer
21/03143
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:888
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Beschikking inzake belastingrente; art. 9, leden 4 en 5, Wet op het BTW-compensatiefonds; artt. 30h en 30hb AWR; terugvordering van bijdragen uit BTW-compensatiefonds na vernietiging van naheffingsaanslagen in de omzetbelasting; wettelijke bepalingen die berekenen van rente ter zake van teruggevorderde bijdragen voorschrijven onverkort van toepassing.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 15 oktober 2020

    ECLI:NL:GHDHA:2020:2223
  2. Gerechtshof Den Haag · 10 juni 2021

    ECLI:NL:GHDHA:2021:1193
  3. Conclusie A-G · 29 juni 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:638
  4. Conclusie A-G · 29 juni 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:640
  5. Conclusie A-G · 29 juni 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:699
  6. Hoge Raad · 9 juni 2023

    ECLI:NL:HR:2023:815
  7. Hoge Raad · 9 juni 2023

    ECLI:NL:HR:2023:875
  8. Hoge Raad · 9 juni 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:888

  9. Hoge Raad · 9 juni 2023

    ECLI:NL:HR:2023:890

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 21/03143

Datum 9 juni 2023

ARREST

in de zaak van

GEMEENTE [X1] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 10 juni 2021, nrs. BK-20/00748 tot en met BK-20/00750, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 19/3500, SGR 19/3502 en SGR 19/3504) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door R. Brouwer, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 29 juni 2022 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 21/03144, ECLI:NL:HR:2023:815.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2023.

ECLI:NL:PHR:2022:638, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2022:699.