Belastingrecht

HR verklaart het beroep in cassatie ongegrond, zie ook 24/02379, ECLI:NL:HR:2025:827

Zaakgegevens

Op 13 juni 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 juni 2025
Datum publicatie
13 juni 2025
Zaaknummer
24/02380
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:913
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR verklaart het beroep in cassatie ongegrond, zie ook 24/02379, ECLI:NL:HR:2025:827

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 18 april 2023

    ECLI:NL:GHARL:2023:3354
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 18 april 2023

    ECLI:NL:GHARL:2023:3355
  3. Gerechtshof Amsterdam · 30 april 2024

    ECLI:NL:GHAMS:2024:1451
  4. Conclusie A-G · 25 oktober 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1122
  5. Conclusie A-G · 25 oktober 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1172
  6. Conclusie A-G · 25 oktober 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1177
  7. Conclusie A-G · 25 oktober 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1179
  8. Hoge Raad · 13 juni 2025

    ECLI:NL:HR:2025:827
  9. Hoge Raad · 13 juni 2025

    ECLI:NL:HR:2025:909
  10. Hoge Raad · 13 juni 2025

    ECLI:NL:HR:2025:910
  11. Hoge Raad · 13 juni 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:913

  12. Hoge Raad · 13 juni 2025

    ECLI:NL:HR:2025:914

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/02380

Datum 13 juni 2025

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 april 2024, nr. 22/431, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 21/927) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2014 tot en met 31 januari 2017 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G.M.R. Veenhuijsen, heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 25 oktober 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

2 Beoordeling van het middel

Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/02379, ECLI:NL:HR:2025:827, rechtsoverwegingen 4.2.1 tot en met 4.3.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 24/02379 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 2.721, oftewel € 1.360,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2025.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt voor de behandeling van het beroep in cassatie een griffierecht geheven.

ECLI:NL:PHR:2024:1122, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:1179.