Belastingrecht

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Zaakgegevens

Op 23 januari 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 januari 2026
Datum publicatie
23 januari 2026
Zaaknummer
25/02439
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:103
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Procesgang

  1. Centrale Raad van Beroep · 22 mei 2025

    ECLI:NL:CRVB:2025:802
  2. Hoge Raad · 23 januari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:103

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/02439

Datum 23 januari 2026

ARREST

op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 mei 2025, nr. 23/3265 ANW.

1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Belanghebbende heeft niet gekozen voor een domicilieadres in Nederland.

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 13 augustus 2025 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet voldaan.

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 12 september 2025 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Belanghebbende heeft niet gereageerd.

Beide brieven zijn teruggezonden aan de Hoge Raad. Aangezien de brieven op regelmatige wijze aan het door belanghebbende opgegeven adres in het buitenland zijn aangeboden, komt het niet in ontvangst nemen of het niet ophalen van die brieven voor rekening en risico van de belanghebbende.

Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.

ECLI:NL:CRVB:2025:802. Vgl. HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1774, rechtsoverweging 2.3.