Belastingrecht

HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.

Hoge Raad, 26 juni 2026

Zaakgegevens

Op 26 juni 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 juni 2026
Datum publicatie
26 juni 2026
Zaaknummer
25/03508
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1062
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Rotterdam · 10 september 2024

    ECLI:NL:RBROT:2024:8654
  2. Centrale Raad van Beroep · 20 augustus 2025

    ECLI:NL:CRVB:2025:1313

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 26 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1062

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/03508

Datum 26 juni 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende),

vertegenwoordigd door N. Talhaoui,

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 augustus 2025, nr. 24/2351 WW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. 24/1950) betreffende een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van de Werkloosheidswet.

1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.

De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

2 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.

ECLI:NL:CRVB:2025:1313.