Belastingrecht
Artikel 80a, lid 1 en lid 4 RO; artikel 80, lid 1, Participatiewet. Reikwijdte cassatiebevoegdheid.
ECLI:NL:HR:2026:1139 · Hoge Raad · 3 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1139
Zaakgegevens
Op 3 juli 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 juli 2026
- Datum publicatie
- 2 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/04437
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1139
Samenvatting
Artikel 80a, lid 1 en lid 4 RO; artikel 80, lid 1, Participatiewet. Reikwijdte cassatiebevoegdheid.
Procesgang
Centrale Raad van Beroep · 28 oktober 2025
ECLI:NL:CRVB:2025:1593Hoge Raad · 3 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1139
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/04437
Datum 3 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 oktober 2025, nr. 23/906 PW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. 21/3517) betreffende een besluit op grond van de Participatiewet en het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van schade.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Centrale Raad). Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.
Een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Centrale Raad kan alleen worden ingesteld wegens schending van of verkeerde toepassing van in de desbetreffende socialeverzekeringswet specifiek aangewezen artikelen en daarop berustende bepalingen. Over schending van andere rechtsregels door de Centrale Raad kan in cassatie dus niet met succes worden geklaagd. Ook kan in cassatie niet met succes worden geklaagd over de vaststelling van feiten en de motivering daarvan.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad betreffende besluiten op grond van de Participatiewet kan op grond van artikel 80, lid 1, van de Participatiewet in cassatie alleen worden opgekomen wegens schending of verkeerde toepassing van artikel 3, leden 2 tot en met 5, van de Participatiewet en de daarop rustende bepalingen. Kort gezegd is daarin bepaald wie mede als gehuwd of als echtgenoot kan worden aangemerkt en wanneer sprake is van een gezamenlijke huishouding.
De klachten van belanghebbende zien niet op schending of verkeerde toepassing van een in artikel 80, lid 1, van de Participatiewet genoemde bepaling. De klachten van belanghebbende rechtvaardigen daarom geen behandeling in cassatie.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.