Belastingrecht

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Zaakgegevens

Op 17 juli 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17 juli 2026
Datum publicatie
17 juli 2026
Zaaknummer
26/01028
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1332
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 26/01028

Datum 17 juli 2026

ARREST

op het door [X] B.V. (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 19 februari 2026, nr. HAA 25/3812 V.

1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 7 mei 2026 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.

1.2

De griffier van de Hoge Raad heeft op 5 juni 2026 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Belanghebbende heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt met een op 11 juni 2026 via het webportaal van de Hoge Raad ingediende brief.

1.3

Belanghebbende voert in de brief van 11 juni 2026 – samengevat – aan dat het op straffe van niet-ontvankelijkheid vooraf moeten betalen van griffierecht als voorwaarde voor het in behandeling nemen van een cassatieberoep zich niet verhoudt met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in samenhang gelezen met artikel 52 daarvan, en dat de Hoge Raad verplicht is hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Dit betoog faalt. Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, ziet de Hoge Raad geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.

1.4

Gelet op hetgeen hiervoor in 1.3 is overwogen, is er geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.