Belastingrecht

Art. 12 van het Protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bij het…

Hoge Raad, 7 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 7 augustus 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 augustus 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
24/01880
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1339
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 12 van het Protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; art. 6:20 en art. 6:39 Wet IB 2001; vrijgesteld inkomen van een instelling van de Europese Unie in relatie tot de drempelbedragen voor persoonsgebonden aftrek; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:1247

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 28 maart 2023

    ECLI:NL:RBDHA:2023:4587
  2. Gerechtshof Den Haag · 9 april 2024

    ECLI:NL:GHDHA:2024:828

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 7 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1339

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/01880

Datum 7 augustus 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 april 2024, nrs. BK-23/440 en BK-23/441, op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/866) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

De klachten falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nr. 24/02814, ECLI:NL:HR:2026:1247, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026.

ECLI:NL:GHDHA:2024:828.