Belastingrecht

Vennootschapsbelasting; art. 16 AWR; vereiste aangifte en verhouding tot omkering bewijslast; reikwijdte…

Hoge Raad, 9 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 9 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 oktober 2026
Datum publicatie
17 september 2026
Zaaknummer
24/01480
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1484
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vennootschapsbelasting; art. 16 AWR; vereiste aangifte en verhouding tot omkering bewijslast; reikwijdte trustvraagarrest; kenbare fout.

Procesgang

  1. Rechtbank Gelderland · 7 maart 2022

    ECLI:NL:RBGEL:2022:1215
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 5 maart 2024

    ECLI:NL:GHARL:2024:1586

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Gerechtshof Den Haag · 1 mei 2024

    ECLI:NL:GHDHA:2024:716
  4. Conclusie A-G · 31 januari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:130
  5. Conclusie A-G · 31 januari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:131
  6. Conclusie A-G · 31 januari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:200
  7. Hoge Raad · 9 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1484

  8. Hoge Raad · 9 oktober 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1633

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/01480

Datum 9 oktober 2026

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

  1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

  2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 maart 2024, nr. BK-ARN 22/705, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/2334) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2015 opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

1.1

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1] , heeft een verweerschrift ingediend.

1.2

De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 31 januari 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

1.3

Belanghebbende heeft op 4 juni 2024 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep. De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Op 28 april 2017 heeft belanghebbende aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 2015 gedaan van een belastbaar bedrag van € 374.423. De Inspecteur heeft op 2 mei 2017 aan belanghebbende laten weten dat een lopend boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften van belanghebbende voor de omzetbelasting voor de jaren 2013 tot en met 2016 zal worden uitgebreid naar haar aangiften voor de vennootschapsbelasting voor de jaren 2013 tot en met 2015. Op 8 mei 2017 is de aanslag in de vennootschapsbelasting ten name van belanghebbende voor het jaar 2015 – met dagtekening 27 mei 2017 – volledig geautomatiseerd vastgesteld in overeenstemming met de ingediende aangifte.

2.2

Naar aanleiding van de uitkomsten van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting over het jaar 2015 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 2.119.352. De daarin opgenomen correcties bedragen (i) € 940.000 voor “Consulting expenses”, (ii) € 635.000 voor “Commission and training expenses” en (iii) een winstuitdeling van (na aftrek van kosten) € 169.929.

2.3

Tussen partijen is niet in geschil dat de Inspecteur terecht een correctie van € 250.000 heeft toegepast op de door belanghebbende in haar aangifte voor de vennootschapsbelasting in aftrek gebrachte “Consulting expenses”. Dit betreft een factuur van € 250.000 die niet is betaald, waar geen tegenprestatie tegenover staat, en die volgens belanghebbende per vergissing in haar administratie is opgenomen.

3 De oordelen van het Hof

3.1

Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur bevoegd was tot navordering en, zo ja, of de navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

3.2.1

Ter zake van de bevoegdheid tot navordering heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur op grond van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR een navorderingsaanslag kon opleggen.

3.2.2

Hiertoe heeft het Hof onder meer overwogen dat navordering op grond van die bepaling mogelijk is als door een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld en dit de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Van dit laatste is in elk geval sprake indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 procent bedraagt van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting.

3.2.3

Het Hof heeft aannemelijk geacht dat de controlerende belastingambtenaren hebben nagelaten het boekenonderzoek in het computersysteem van de Belastingdienst te vermelden, waardoor de geautomatiseerde afdoening van de aangifte niet is geblokkeerd. Dit nalaten is naar het oordeel van het Hof aan te merken als een fout in de ruime en neutrale zin die aan dat begrip toekomt in artikel 16, lid 2, letter c, AWR.

3.2.4

Gelet op de aankondiging van de Inspecteur op 2 mei 2017 dat het boekenonderzoek zal worden uitgebreid naar de aangiften voor de vennootschapsbelasting voor de jaren 2013 tot en met 2015 kon belanghebbende, aldus het Hof, redelijkerwijs niet menen dat de op 8 mei 2017 vastgestelde aanslag juist was vastgesteld. Aangezien niet in geschil is dat de Inspecteur terecht een bedrag van € 250.000 heeft gecorrigeerd, staat vast dat de te weinig geheven belasting ten minste 30 procent bedraagt van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting. In dat geval wordt op grond van artikel 16, lid 2, letter c, AWR de kenbaarheid van de fout bij wege van fictie verondersteld, aldus nog steeds het Hof.

3.3.1

Voor de beoordeling van de navorderingsaanslag heeft het Hof eerst onderzocht of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard wegens het niet-doen van de vereiste aangifte. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daaraan heeft het Hof ten grondslag gelegd dat belanghebbende een bedrag van € 250.000 ten onrechte in de aangifte in aftrek heeft gebracht. Dit inhoudelijke gebrek leidt reeds ertoe dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Bovendien is het bedrag van de belasting dat daardoor niet zou zijn geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk. Naar het oordeel van het Hof wist belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte of moet zij zich op dat moment ervan bewust zijn geweest dat de aftrek van € 250.000 onjuist was waardoor een aanzienlijk bedrag aan vennootschapsbelasting niet zou worden geheven. Het Hof acht hiervoor redengevend dat (i) belanghebbende heeft verklaard dat de factuur niet in de administratie had moeten worden verwerkt omdat daarvoor geen enkele tegenprestatie is verricht en nimmer is betaald, (ii) de factuur betrekking heeft op een omvangrijk bedrag dat niet licht over het hoofd wordt gezien, (iii) de factuur in de administratie is verwerkt door de toenmalige directeur die is opgeleid tot accountant, en (iv) de factuur in de administratie is verwerkt als een zogenoemde (incidentele) memoriaalboeking.

3.3.2

Anders dan belanghebbende voorstaat, is het Hof van oordeel dat de omkering en verzwaring van de bewijslast voor de gehele belastingaanslag gelden.

3.3.3

De correcties in de navorderingsaanslag berusten naar het oordeel van het Hof op een redelijke schatting, aangezien de Inspecteur de correcties heeft gebaseerd op gegevens die afkomstig zijn uit de administratie van belanghebbende. Belanghebbende is met haar stellingen over de correcties volgens het Hof niet geslaagd in de zwaardere bewijslast als bedoeld in artikel 27e AWR.

4 Beoordeling van de middelen

4.1.1

Middel I komt op tegen de hiervoor in 3.2.4 weergegeven oordelen van het Hof. Het betoogt dat voor belanghebbende ten tijde van het vaststellen van de aanslag niet kenbaar was dat de in overeenstemming met haar aangifte vastgestelde aanslag onjuist was.

4.1.2

Het Hof heeft, in cassatie niet bestreden, geoordeeld dat de te weinig geheven belasting in dit geval ten minste 30 procent bedraagt van de volgens de belastingwet verschuldigde belasting. Het heeft op grond van artikel 16, lid 2, letter c, AWR terecht als regel aangenomen dat de kenbaarheid van de fout in een dergelijk geval bij wege van fictie wordt verondersteld.

4.1.3

Dat zou slechts anders zijn indien de belastingplichtige op het moment waarop hij het aanslagbiljet ontving in redelijkheid kon menen dat de aanslag op goede gronden was vastgesteld. De stelplicht en bewijslast hiervoor liggen bij de belastingplichtige.

4.1.4

In dit geval moet worden aangenomen dat die uitzondering zich niet voordoet. Het Hof heeft immers geoordeeld, zoals hiervoor in 3.3.1 weergegeven, dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moet zijn geweest dat de aftrek van € 250.000 onjuist was. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voor het overige feitelijk en niet onbegrijpelijk.

4.1.5

Het middel faalt daarom.

4.2.1

Middel II bestrijdt het hiervoor in 3.3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat de bewijslast voor de gehele aanslag moet worden omgekeerd en verzwaard wegens het niet-doen van de vereiste aangifte.

4.2.2

Bij de beoordeling van dit middel moet het volgende worden vooropgesteld. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte als bedoeld in artikel 25, lid 3, en artikel 27e, lid 1, AWR niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Immers, voor toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast moet de aangifte dan als geheel worden beoordeeld. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden hierbij slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of behoorde te weten dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. Bij de beoordeling of aan deze maatstaf is voldaan, dienen alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen.

4.2.3

In gevallen waarin de hiervoor in 4.2.2 bedoelde beoordeling leidt tot de slotsom dat de vereiste aangifte niet is gedaan, brengt dit, gelet op de bewoordingen van artikel 25, lid 3, en artikel 27e, lid 1, AWR, mee dat op de belanghebbende een verzwaarde bewijslast rust met betrekking tot de gehele door hem bestreden belastingaanslag. Ook hier moet voor toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast de aangifte als geheel worden beoordeeld. In deze gevallen bestaat in verband daarmee geen grond om de omkering en verzwaring van de bewijslast te beperken tot bepaalde geschilpunten met betrekking tot die belastingaanslag.

4.2.4

Wat hiervoor in 4.2.2 en 4.2.3 is overwogen, geldt niet in gevallen waarin de vereiste aangifte niet is gedaan doordat een of meer vragen in het aangiftebiljet niet of onjuist zijn beantwoord. Voor omkering en verzwaring van de bewijslast hoeft in de laatstbedoelde gevallen niet vast te staan dat de tekortkoming in de beantwoording van de vraag of vragen ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, of dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van die tekortkoming niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Omkering en verzwaring van de bewijslast blijven in die gevallen echter achterwege wanneer het niet of onjuist beantwoorden van de desbetreffende vraag of vragen van onvoldoende gewicht is om die zware sanctie te kunnen rechtvaardigen. Verder is ook in die gevallen van belang of de belanghebbende een verwijt valt te maken, en wel in die zin dat omkering en verzwaring van de bewijslast slechts plaatsvinden voor zover de belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte wist of behoorde te weten dat hij de desbetreffende vraag of vragen in het aangiftebiljet niet of onjuist heeft beantwoord. Tot slot brengt een redelijke wetstoepassing in die gevallen mee dat de omkering en verzwaring van de bewijslast niet gelden voor die geschilpunten waarvoor het antwoord op deze vraag of vragen niet van belang kan zijn. In die gevallen hoeft namelijk de aangifte niet in zijn geheel te worden beoordeeld om te kunnen vaststellen of de vereiste aangifte is gedaan.

4.2.5

Het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, geeft, gelet op wat hiervoor in 4.2.2 is overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het Hof heeft daaraan, gelet op wat hiervoor in 4.2.3 is overwogen, terecht de conclusie verbonden dat op grond van artikel 27e, lid 1, AWR omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing zijn voor de gehele aanslag. Middel II faalt daarom.

4.3

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5 Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

5.1

Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.

5.2

In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 16 april 2024. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met minder dan zes maanden. Belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.

6 Proceskosten

6.1

In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.

6.2

Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in zo’n geval tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500, en

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 234 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, W.A.P. van Roij en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026.

ECLI:NL:GHARL:2024:1586. ECLI:NL:PHR:2025:130, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:200. Vgl. HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1391, rechtsoverwegingen 4.2.1 en 4.5.1. Vgl. HR 14 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4441, rechtsoverweging 4.2. Vgl. HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, rechtsoverweging 3.4.3. Vgl. HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312, rechtsoverweging 2.3.2. Vgl. HR 14 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4441, rechtsoverweging 4.2. Vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767, rechtsoverweging 4.2.3 (slotzin). Vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767, rechtsoverweging 4.2.4. Vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767, rechtsoverweging 4.2.5. Vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.