Belastingrecht

HR verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Zie ook 25/02365, ECLI:NL:HR:2026:1416

Zaakgegevens

Op 18 september 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 september 2026
Datum publicatie
18 september 2026
Zaaknummer
25/02366
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1517
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Zie ook 25/02365, ECLI:NL:HR:2026:1416

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 21 mei 2025

    ECLI:NL:GHDHA:2025:1097
  2. Hoge Raad · 18 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1517

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/02366

Datum 18 september 2026

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 mei 2025, nrs. BK-24/168 tot en met BK-24/174, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof van 17 oktober 2024.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof op het verzet beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van het middel

Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag tussen dezelfde partijen heeft uitgesproken in de zaak met nummer 25/02365, ECLI:NL:HR:2026:1416. Die gronden brengen mee dat de Hoge Raad geen aanleiding ziet voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

ECLI:NL:GHDHA:2025:1097.