Belastingrecht
Invorderingswet 1990; artt. 6:2, 8:1, en 8:73 (oud) Awb; vergoeding van immateriële schade wegens…
Hoge Raad, 23 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1727 · Hoge Raad · 23 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1727
Zaakgegevens
Op 23 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23/04461
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1727
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Invorderingswet 1990; artt. 6:2, 8:1, en 8:73 (oud) Awb; vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn; financieel belang bij beroep wegens niet-tijdig beslissen.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 19 september 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:3022Hoge Raad · 23 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1727
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/04461
Datum 23 oktober 2026
ARREST
in de zaak van
STICHTING [X] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 september 2023, nr. 22/00412, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 19/4843) betreffende aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten van vervolging.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. van Velsen , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
2 Uitgangspunten in cassatie
De Ontvanger heeft belanghebbende op 21 maart 2017 aangemaand tot het betalen van een aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2011. Hij heeft daarbij belanghebbende een bedrag van € 16 aan kosten in rekening gebracht ter zake van het doen van die aanmaning (hierna: de aanmaningskosten). Belanghebbende heeft tegen het in rekening brengen van de aanmaningskosten een aan de Ontvanger gericht bezwaarschrift ingediend, dat door de Ontvanger op 3 mei 2017 is ontvangen.
Belanghebbende heeft de Ontvanger op 5 september 2019 in gebreke gesteld vanwege het niet-tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. De Ontvanger heeft belanghebbende bij brief van 19 september 2019 meegedeeld dat reeds op het bezwaarschrift is beslist, onder bijvoeging van de uitspraak op bezwaar met dagtekening 30 mei 2017.
Belanghebbende heeft op 28 oktober 2019 beroep ingesteld bij de Rechtbank wegens het niet-tijdig beslissen op het bezwaar.
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende bij uitspraak van 28 april 2022 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de Ontvanger op 30 mei 2017 uitspraak heeft gedaan op het bezwaar, en alsdan geen beroep (meer) kan worden ingesteld wegens het niet-tijdig beslissen op dat bezwaar. In dat geval moet, aldus de Rechtbank, beroep worden ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
De Rechtbank heeft verworpen het betoog van belanghebbende dat het hiervoor in 2.3 bedoelde beroep op de voet van artikel 6:20, lid 3, Awb mede gericht is tegen de uitspraak op bezwaar met dagtekening 30 mei 2017. Deze bepaling is namelijk van toepassing op alsnog (dat wil zeggen: na het instellen van beroep wegens niet-tijdig beslissen) genomen besluiten. Daarvan is in dit geval geen sprake, aldus de Rechtbank. Met het beroepschrift van 28 oktober 2019 kan naar het oordeel van de Rechtbank ook redelijkerwijs niet zijn beoogd beroep in te stellen tegen de uitspraak op bezwaar van 30 mei 2017, aangezien belanghebbende in dat beroepschrift nu juist betoogt dat nog niet op de wettelijk voorgeschreven wijze uitspraak op bezwaar is gedaan.
In haar uitspraak heeft de Rechtbank het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting afgewezen. Een zodanig verzoek kan in een geval als het onderhavige, waarin het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, alleen betrekking hebben op de procedure bij de rechtbank, aldus de Rechtbank. Aangezien de Rechtbank uitspraak doet binnen anderhalf jaar nadat beroep is ingesteld, oordeelt de Rechtbank dat de redelijke termijn in de beroepsfase niet is overschreden.
3 De oordelen van het Hof
Het Hof heeft geoordeeld dat de Rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard en heeft deze gronden en die beslissing tot de zijne gemaakt.
Over het door de Rechtbank afgewezen verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft het Hof geoordeeld dat de Rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de redelijke termijn niet is overschreden. Het beroepschrift is door de Rechtbank ontvangen op 28 oktober 2019 en de uitspraak van de Rechtbank is uitgesproken op 28 april 2022. Daarvan uitgaande heeft het Hof vastgesteld dat de redelijke termijn voor berechting van de zaak in eerste aanleg met een jaar is overschreden en dat belanghebbende daarom in beginsel in aanmerking komt voor een vergoeding van in totaal € 1.000.
Het Hof heeft desondanks geen aanleiding gezien belanghebbende een schadevergoeding toe te kennen. Het Hof heeft daartoe, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292 (hierna: het arrest van 24 februari 2017), overwogen dat in het geval een geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang, dat wil zeggen een belang dat niet hoger is dan € 15, geen aanleiding bestaat om uit te gaan van de veronderstelling dat de duur van de procedure spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft veroorzaakt. Het Hof is vervolgens, onder verwijzing naar de prijsontwikkelingen in de ruim zes jaren die zijn verstreken sinds de vaststelling van het arrest van 24 februari 2017, tot de slotsom gekomen dat in dit geval, waar het geschil ziet op een bedrag van € 16, het financieel belang zeer gering is, zodat er geen reden is voor vergoeding van immateriële schade.
4 Beoordeling van de klachten
Voor zover de klachten zijn gericht tegen de hiervoor in 3.1 weergegeven oordelen van het Hof, falen zij. Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Voor zover de klachten zich richten tegen de hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordelen van het Hof, overweegt de Hoge Raad het volgende.
De immateriële schade die bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting voor vergoeding in aanmerking komt, is gelegen in de spanning en frustratie die een belastingplichtige of belastingschuldige ondervindt ten gevolge van het geschil dat hem en het bestuursorgaan (in dit geval de Ontvanger) verdeeld houdt. Die door de belastingplichtige of belastingschuldige ondervonden spanning en frustratie moeten worden geacht ten einde te zijn gekomen na een uitspraak waarmee dit geschil is beslecht. Aangenomen moet worden dat indien een door een bestuursorgaan gedane uitspraak op een bezwaar niet door de belanghebbende in rechte wordt bestreden, deze uitspraak de definitieve beslechting vormt van dat geschil. Daarmee is in overeenstemming dat de voor het toekennen van vergoeding van immateriële schade in aanmerking te nemen periode van spanning en frustratie wordt geacht met die uitspraak ten einde te zijn gekomen.
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1 is geoordeeld, staat in deze zaak in cassatie vast dat de Ontvanger op het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift uitspraak heeft gedaan op 30 mei 2017, en dat belanghebbende tegen die uitspraak geen beroep heeft ingesteld. Met die daardoor onherroepelijk geworden uitspraak op bezwaar is het geschil over de aanmaningskosten ten einde gekomen.
Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de redelijke termijn voor berechting van de zaak door de Rechtbank met een jaar is overschreden. Aangezien hetgeen hiervoor in 4.2.2 en 4.2.3 is overwogen, betekent dat belanghebbende in deze zaak geen spanning en frustratie met betrekking tot een financieel belang als gevolg van een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in de Invorderingswet 1990 kon ondervinden, had het Hof moeten oordelen dat het belanghebbende aan een financieel belang ontbrak en had het daarom moeten volstaan met de constatering dat bij de Rechtbank de redelijke termijn is overschreden als passende genoegdoening voor de als gevolg van die overschrijding veronderstelde spanning en frustratie.
Het oordeel dat het belanghebbende aan een financieel belang ontbrak, brengt mee dat de hiervoor in 4.2.1 bedoelde klachten, die erop zijn gestoeld dat voor belanghebbende met de zaak een financieel belang van € 16 was gemoeid, niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.