Belastingrecht

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Hoge Raad, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
26/00043
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1776
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 26/00043

Datum 30 oktober 2026

ARREST

op het door [X] B.V. (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 21 november 2025, nr. SGR 24/8894 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 3 april 2025.

1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 23 juni 2026 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 22 juli 2026 in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de dagtekening van deze brief mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Die termijn eindigde op 19 augustus 2026. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid niet tijdig gebruikgemaakt. De op 25 augustus 2026 bij de Hoge Raad ingekomen brief wordt als te laat ingekomen buiten beschouwing gelaten. Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren F.G.F. Peters en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2026.