Belastingrecht

Loonbelasting; artikel 31a, lid 2, letter e en lid 7 (tekst 2019) Wet LB 1964; artikel XIV Belastingplan…

Zaakgegevens

Op 13 februari 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 februari 2026
Datum publicatie
13 februari 2026
Zaaknummer
25/00134
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:244
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Loonbelasting; artikel 31a, lid 2, letter e en lid 7 (tekst 2019) Wet LB 1964; artikel XIV Belastingplan 2019; artikel 10ec UBLB 1965; artikel 1 EP EVRM; artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM; artikel 26 IVBPR. Proefprocedures. Verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling, ook in gevallen waarin eerder een 30%-beschikking met een langere looptijd is gegeven. Zorgvuldigheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Holland · 8 maart 2024

    ECLI:NL:RBNHO:2024:2609
  2. Gerechtshof Amsterdam · 3 december 2024

    ECLI:NL:GHAMS:2024:3557
  3. Gerechtshof Amsterdam · 3 december 2024

    ECLI:NL:GHAMS:2024:3558

    Bekrachtiging/bevestiging

  4. Gerechtshof Amsterdam · 3 december 2024

    ECLI:NL:GHAMS:2024:3559
  5. Gerechtshof Amsterdam · 3 december 2024

    ECLI:NL:GHAMS:2024:3560
  6. Conclusie A-G · 14 november 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1239
  7. Hoge Raad · 13 februari 2026

    ECLI:NL:HR:2026:123
  8. Hoge Raad · 13 februari 2026

    ECLI:NL:HR:2026:124
  9. Hoge Raad · 13 februari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:244

  10. Hoge Raad · 13 februari 2026

    ECLI:NL:HR:2026:245
  11. Hoge Raad · 13 februari 2026

    ECLI:NL:HR:2026:246
  12. Hoge Raad · 13 februari 2026

    ECLI:NL:HR:2026:247

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/00134

Datum 13 februari 2026

ARREST

in de zaak van

[X2] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 3 december 2024, nrs. 24/3128 en 24/3129, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 21/3568 en HAA 21/3569), betreffende de inhouding van loonbelasting over de tijdvakken januari en februari 2021.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door D.R. Hauser en M. van den Beucken, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door F.R. Herreveld, advocaat.

De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 14 november 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 25/00133, ECLI:NL:HR:2026:123.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.

ECLI:NL:GHAMS:2024:3558. ECLI:NL:PHR:2025:1239.