Belastingrecht

Antidumpingrechten; art. 24 CDW; bepalen van niet-preferentiële oorsprong van goederen indien twee of meer…

Hoge Raad, 27 maart 2026

Zaakgegevens

Op 27 maart 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 maart 2026
Datum publicatie
26 maart 2026
Zaaknummer
22/04803
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:493
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Antidumpingrechten; art. 24 CDW; bepalen van niet-preferentiële oorsprong van goederen indien twee of meer landen bij de vervaardiging van dat goed zijn betrokken; laatste ingrijpende be- of verwerking; volgorde van criteria bij de beoordeling van de niet-preferentiële oorsprong van goederen.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 1 november 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:3634
  2. Hoge Raad · 27 maart 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:493

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 22/04803

Datum 27 maart 2026

ARREST

in de zaak van

[X] S.A.S. (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 1 november 2022, nr. 22/00061, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 17/4771) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van antidumpingrechten.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G.J. van Slooten en M.J.T. van der Knaap, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/04802, ECLI:NL:HR:2026:389.

2.2

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Het middel voor het overige behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 22/04802 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof,

- wijst het geding terug naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

- gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 548, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 1.868, oftewel € 934, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.

ECLI:NL:GHAMS:2022:3634.