Belastingrecht

Omzetbelasting; art. 9, lid 2, letter a, Wet OB; post a.1, van Tabel I bij de Wet OB; punt 1 van Bijlage III…

Zaakgegevens

Op 10 april 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 april 2026
Datum publicatie
9 april 2026
Zaaknummer
24/03121
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:582
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Omzetbelasting; art. 9, lid 2, letter a, Wet OB; post a.1, van Tabel I bij de Wet OB; punt 1 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006; levensmiddelen voor menselijke consumptie; magische truffels; rechtszekerheidsbeginsel.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 18 augustus 2022

    ECLI:NL:RBZWB:2022:4789
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 3 juli 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:2144

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 10 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:582

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/03121

Datum 10 april 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 juli 2024, nrs. 22/1571 en 22/1572, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 22/801 en BRE 22/815) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de periode 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 en de periode 1 januari 2019 tot en met 31 augustus 2019.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.J.C. Perdaems, advocaat.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/03016, ECLI:NL:HR:2026:450.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

ECLI:NL:GHSHE:2024:2144.