Omgevingsrecht
Hoge Raad · Cassatie · Omgevingsrecht
ECLI:NL:HR:2002:AE7913 · Hoge Raad · 20 september 2002
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/omgevingsrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2002-ae7913
Zaakgegevens
Op 20 september 2002 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 september 2002
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 1352
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Omgevingsrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. C.M.E Verhaegh, mr. H.A. Groen
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2002:AE7913
Procesgang
Hoge Raad · 20 september 2002deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2002:AE7913
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 september 2002
ECLI:NL:PHR:2002:AE7913
Uitspraak
Nr. 1352
20 september 2002
AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. C.M.E. Verhaegh,
tegen
de gemeente Haarlemmermeer,
zetelende te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. H.A. Groen.
1. Geding in feitelijke instantie
Bij vonnis van 6 november 2001, gewezen tussen de Gemeente als eiseres en [eiser] als gedaagde, heeft de Arrondissementsrechtbank te Haarlem ten name van en ten behoeve van de Gemeente vervroegd de onteigening uitgesproken van de in dat vonnis omschreven onroerende zaak. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
2.1. [eiser] heeft het vonnis met één middel van cassatie bestreden. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De Gemeente heeft bij conclusie van antwoord geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.3. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. [eiser] heeft gerepliceerd.
2.4. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 3 mei 2002 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De onderhavige onroerende zaak is bij Koninklijk Besluit aangewezen ter onteigening "ten behoeve van de aanleg van de [a-straat] (...)" (hierna: het werk). Voorafgaand aan het bestreden vonnis heeft ter zake van het werk geen milieueffectbeoordeling plaatsgevonden, noch is de noodzaak daartoe, die door [eiser] is gesteld maar door de Gemeente betwist, door de bestuursrechter beoordeeld.
3.2. Het middel strekt ten betoge dat de Rechtbank in het onderhavige geval had moeten toetsen of een milieueffectbeoordeling had moeten plaatsvinden, omdat sprake zou zijn van strijd met de Richtlijn 85/337 EEG indien de onteigening uitgesproken zou worden zonder dat een dergelijke beoordeling zou plaatsvinden. [eiser] leidt dit af uit het arrest van het HvJ EG van 19 september 2000 (NJ 2001, 150; Linster).
3.3. Het middel faalt. De Richtlijn strekt niet tot bescherming van de private eigendom, maar tot bescherming van het milieu. Het milieubelang wordt niet geraakt door een onteigening, maar hoogstens door de uitvoering van het werk waartoe onteigend wordt. Niet in geschil is dat het Nederlandse bestuursrecht erin voorziet dat, desverzocht en voorafgaand aan de uitvoering van het werk, de naleving van de Richtlijn door de bestuursrechter wordt gecontroleerd. In het licht hiervan verzet het Linster-arrest noch de Richtlijn zelf zich ertegen dat de onteigening wordt uitgesproken zonder voorafgaande rechterlijke toetsing of het werk al dan niet MER-plichtig is.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep, en
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 286,88 aan verschotten, en € 1365 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge, J.C. van Oven, A.R. Leemreis, en C.J.J. van Maanen, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2002.