Omgevingsrecht
Ruilverkaveling. Geschil tussen pachter en Landinrichtingscommissie over het niet opnemen in de lijst der…
Hoge Raad, 1 september 2006
ECLI:NL:HR:2006:AW6182 · Hoge Raad · 1 september 2006
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/omgevingsrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2006-aw6182
Zaakgegevens
Op 1 september 2006 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 september 2006
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C04/355HR
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P. Garretsen
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2006:AW6182
Samenvatting
Ruilverkaveling. Geschil tussen pachter en Landinrichtingscommissie over het niet opnemen in de lijst der geldelijke regelingen van vergoeding wegens onderbedeling; ongegrondverklaring van formele bezwaren onder toepassing van hangende bezwaarschriftprocedure ex art. 214 e.v. Liw in werking getreden reparatiewetgeving (81 RO).
Procesgang
Hoge Raad · 1 september 2006deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2006:AW6182
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 september 2006
ECLI:NL:PHR:2006:AW6182
Uitspraak
1 september 2006
Eerste Kamer
Nr. C04/355HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
de procesbevoegdheid bezittende LANDINRICHTINGSCOMMISSIE VOOR DE RUILVERKAVELING "VIJFHEERENLANDEN",
gevestigd te Voorburg,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mrs. H.A. Groen en M.W. Scheltema.
1. Het geding in feitelijke instantie
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft zich met een op 23 november 2001 gedateerd bezwaarschrift gewend tot verweerster in cassatie - verder te noemen: de LC - en daarbij bezwaar gemaakt tegen het feit dat hij niet is opgenomen in de lijst der geldelijke regelingen onder aanvoering dat hij als pachter van percelen weiland bij de landinrichting zowel in waarde als in oppervlakte (1.33.65 ha) is onderbedeeld met meer dan tien procent. Voorts heeft [eiser] schadevergoeding gevorderd.
De LC heeft de bezwaren en de vordering tot schadevergoeding bestreden.
Nadat LC de bezwaren van [eiser] op 20 mei 2003 had behandeld en partijen niet tot elkaar waren gekomen, heeft zij de zaak verwezen naar de rechter-commissaris in de rechtbank te Dordrecht, die op 21 augustus 2003 de zaak heeft verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.
De rechtbank heeft na een tussenvonnis van 29 oktober 2003 bij eindvonnis van 27 oktober 2004 de bezwaren van [eiser] ongegrond verklaard.
Beide vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide vonnissen van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
LC heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 12 mei 2006 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van LC begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 1 september 2006.