Omgevingsrecht
Ruilverkaveling. Cassatieberoep tegen oordeel rechtbank op bezwaar tegen plan van toedeling, art. 202 aanhef…
Hoge Raad, 6 september 2013
ECLI:NL:HR:2013:CA3733 · Hoge Raad · 6 september 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/omgevingsrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2013-ca3733
Zaakgegevens
Op 6 september 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 september 2013
- Datum publicatie
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- 11/04721
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- aanvankelijk mr. P Garretsen, mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:CA3733
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ruilverkaveling. Cassatieberoep tegen oordeel rechtbank op bezwaar tegen plan van toedeling, art. 202 aanhef en onder f, in verbinding met art. 186 Landinrichtingswet. Rechtsmiddelenverbod, doorbrekingsgronden, niet-ontvankelijkheid.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 31 mei 2013
ECLI:NL:PHR:2013:CA3733Hoge Raad · 6 september 2013deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2013:CA3733
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
6 september 2013
Eerste Kamer
11/04721
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiseres 2],
gevestigd te [plaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. M.J. van Batenburg,
t e g e n
LANDINRICHTINGSCOMMISSIE VOOR DE RUILVERKAVELING "BAARDERADEEL",
gevestigd te Leeuwarden,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Landinrichtingscommissie.
1 Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaken 110425/HA ZA 11-124, 110426/HA ZA 11-125 en 110431/HA ZA 11-129 van de rechtbank Leeuwarden van 31 augustus 2011.
Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de rechtbank hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Landinrichtingscommissie heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van dat beroep.
De zaak is voor de Landinrichtingscommissie toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot niet-ontvankelijk-verklaring van [eiser] c.s. in hun beroep.
3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eiser] c.s. hebben bezwaren ingediend tegen het plan van toedeling in de ruilverkaveling “Baarderadeel”.
(ii) De rechtbank heeft die bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het overige ongegrond.
Ingevolge art. 202, aanhef en onder f, in verbinding met art. 186 Landinrichtingswet staat tegen een uitspraak van de rechtbank omtrent bezwaren tegen het plan van toedeling geen rechtsmiddel open. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is echter niet uitgesloten dat een cassatieberoep tegen een zodanige uitspraak toch ontvankelijk is, indien erover wordt geklaagd dat de rechtbank een of meer artikelen van de Landinrichtingswet betreffende (de vaststelling van) het plan van toedeling ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel dat bij de totstandkoming van de uitspraak essentiële vormen zijn verzuimd. Voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod op laatstgenoemde grond is nodig dat aan de klacht ten grondslag ligt dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken (vgl. HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4503, NJ 2005/257).
Hetgeen [eiser] c.s. in cassatie hebben aangevoerd, kan niet worden aangemerkt als een (beroep op een) doorbrekingsgrond. Voor zover zij klagen over verzuim van essentiële vormen, hierin bestaande dat de rechtbank haar vonnis niet toereikend heeft gemotiveerd, kan ook deze klacht niet dienen als een beroep op een doorbrekingsgrond. De klacht kan immers niet worden aangemerkt als een klacht over een fundamenteel rechtsbeginsel als hiervoor in 3.2 bedoeld.
Het hiervoor overwogene brengt mee dat [eiser] c.s. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun cassatieberoep.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [eiser] c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Landinrichtingscommissie begroot op € 781,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 6 september 2013.