Civiel recht overig
Ambtsmisdrijven; art. 119 Gw, art. 76 RO, art. 483 leden 1 en 2 Sv. Kennelijk niet-ontvankelijk beklag over…
Hoge Raad, 27 maart 2015
ECLI:NL:HR:2015:764 · Hoge Raad · 27 maart 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/beschikking/ecli-nl-hr-2015-764
Zaakgegevens
Op 27 maart 2015 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 maart 2015
- Datum publicatie
- 26 maart 2015
- Zaaknummer
- 15/00147
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2015:764
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ambtsmisdrijven; art. 119 Gw, art. 76 RO, art. 483 leden 1 en 2 Sv. Kennelijk niet-ontvankelijk beklag over niet vervolgen minister. Hoge Raad niet bevoegd om vervolging te bevelen.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 januari 2015
ECLI:NL:PHR:2015:30Hoge Raad · 27 maart 2015deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2015:764
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
27 maart 2015
Eerste Kamer
15/00147
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[klager],
wonende te [woonplaats],
KLAGER.
1 Het beklag
Klager heeft op 4 juni 2014 aangifte gedaan van strafbare feiten die naar zijn mening zijn gepleegd door de landelijk hoofdadvocaat-generaal bij het ressortsparket, door het Openbaar Ministerie, door het Ministerie van Veiligheid en Justitie en door de minister van Financiën. Bij brief van 7 juli 2014 heeft de hoofdofficier van justitie aan klager laten weten niet tot vervolging van genoemde personen/instanties over te gaan.
Klager heeft bij brief van 11 juli 2014, aangevuld bij brief van 18 juli 2014, hierover beklag gedaan bij het gerechtshof Den Haag. Dit hof heeft de zaak op grond van art. 62b Wet op de rechterlijke organisatie (RO) verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Laatstgenoemd hof heeft het beklag afgewezen voor zover het was gericht tegen de hoofdadvocaat-generaal, het Openbaar Ministerie en het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Voor zover het beklag was gericht tegen de minister van Financiën heeft het hof zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de Hoge Raad.
De beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is aan deze beschikking gehecht.
Het klaagschrift is eveneens aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het schriftelijk verslag van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
Klager heeft bij brief op dat verslag gereageerd.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag
Ingevolge art. 119 Grondwet en art. 76 RO staan (gewezen) ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, in eerste en hoogste ressort terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging ter zake van die misdrijven kan slechts worden gegeven bij Koninklijk Besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer (art. 119 Grondwet; art. 4 Wet van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriële Departementen; art. 483 leden 1 en 2 Sv) (vgl. HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0198, NJ 2011/122).
Nu hieruit volgt dat de Hoge Raad niet bevoegd is opdracht te geven tot vervolging van een door een minister van Financiën gepleegd ambtsmisdrijf als door klager bedoeld, is het beklag kennelijk niet-ontvankelijk.
Het voorgaande brengt mee dat oproeping van klager achterwege kan blijven (vgl. art. 12c Sv).
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 maart 2015.