Civiel recht overig
Vreemdelingenrecht; art. 26 Vreemdelingenwet. Onrechtmatige overheidsdaad. Staat regeling van art. 42 lid 2…
Hoge Raad, 6 oktober 1989
ECLI:NL:HR:1989:AB9522 · Hoge Raad · 6 oktober 1989
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-1989-ab9522
Zaakgegevens
Op 6 oktober 1989 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 6 oktober 1989
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 13 612
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- Mr. H.C Grootveld, Mr. A.M.M. Orie
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1989:AB9522
Samenvatting
Vreemdelingenrecht; art. 26 Vreemdelingenwet. Onrechtmatige overheidsdaad. Staat regeling van art. 42 lid 2 Vreemdelingenwet in de weg aan vordering tot schadevergoeding bij burgerlijke rechter op de voet van art. 1401 BW (oud)? Aanspraak op volledige vergoeding van schade ten gevolge van onrechtmatige vrijheidsbeneming; art. 5 lid 5 EVRM en art. 9 lid 5 IVBP.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 mei 1989
ECLI:NL:PHR:1989:AB9522Hoge Raad · 6 oktober 1989deze uitspraak
ECLI:NL:HR:1989:AB9522
Uitspraak
6 oktober 1989
Eerste Kamer
Nr. 13.612
A.P.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),
waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage,
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. H.C. Grootveld,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. A.M.M. Orie.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen [verweerder] - heeft bij exploot van 14 maart 1986 eiser tot cassatie - verder te noemen de Staat - gedagvaard voor de Kantonrechter te 's-Gravenhage en gevorderd - voor zover in cassatie nog van belang - dat de Kantonrechter de Staat zal veroordelen tot betaling van:
a. Bf. 1.000, --;
f 66,80;
12 x f 300, -- = f 3.600, --;
b. de wettelijke rente vanaf 28 januari 1986 over voornoemde bedragen.
Nadat de Staat tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij vonnis van 4 september 1986 [verweerder] niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Gravenhage.
Bij vonnis van 2 september 1987 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter vernietigd en de Staat veroordeeld aan [verweerder] te betalen Bf. 1.000, -- , en f 1.266,90 vermeerderd met de wettelijke rente over die bedragen vanaf 28 januari 1986 tot aan de dag der voldoening, dit vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman- Hartogh strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het cassatiemiddel
3.1 Het gaat in cassatie om de vraag of de regeling van artikel 42 lid 2 van de Vreemdelingenwet (Vw. ) eraan in de weg staat dat degene die meent dat de Staat een onrechtmatige daad heeft begaan door op hem de maatregel voorzien in artikel 26 Vw. toe te passen, ter zake daarvan op de voet van artikel 1401 BW bij de burgerlijke rechter schadevergoeding vordert.
3.2 Bij de beantwoording van die vraag dient uitgangspunt te zijn dat ieder die meent het slachtoffer te zijn van onrechtmatige vrijheidsbeneming, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5 lid 5 EVRM en artikel 9 lid 5 IVBPR aanspraak moet kunnen maken op volledige vergoeding van zijn daardoor geleden schade. De onder 3.1 omschreven vraag moet derhalve reeds ontkennend worden beantwoord indien de regeling van artikel 42 lid 2 Vw beperkingen stelt aan het recht om die aanspraak geldend te maken.
3.3 In artikel 42 lid 2 Vw. en het daar van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering (Sv. ) worden dergelijke beperkingen inderdaad gesteld:
(a) bij inwilliging van een verzoek tot opheffing van de maatregel van bewaring 'kán' (in plaats van 'zal' ) de rechter een schadevergoeding toekennen (42 lid 2 Vw. ); weliswaar zal ingevolge artikel 90 lid 1 Sv. toekenning steeds plaatsvinden als daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn, maar dat houdt niet in dat die gronden van billijkheid in geval van onrechtmatige bewaring uit de aard der zaak door de rechter aanwezig geacht zullen moeten worden;
(b) ook als de rechter schadevergoeding toekent, behoeft dat nog geen volledige schadevergoeding te zijn, aangezien de rechter ingevolge artikel 90 lid 2 Sv. bij de bepaling van het bedrag ook rekening dient te houden met de "levensomstandigheden" van degene wiens bewaring is opgeheven.
3.4 Artikel 42 lid 2 Vw. biedt derhalve een weliswaar eenvoudige en snelle maar aan duidelijke beperkingen onderhevige mogelijkheid om een tegemoetkoming in de geleden schade te krijgen. Het bestaan en ook het gebruik maken van een dergelijke mogelijkheid kan, gezien het in 3.2 overwogene, aan degene die meent door de Staat onrechtmatig in vreemdelingenbewaring te zijn gesteld, niet het recht ontnemen om op de voet van artikel 1401 BW bij de burgerlijke rechter (alsnog) volledige schadevergoeding te vragen, met dien verstande dat een op de voet van artikel 42 lid 2 Vw. toegekende tegemoetkoming in mindering strekt op het bedrag van de door de burgerlijke rechter toe te wijzen schadevergoeding.
3.5 Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van [verweerder] tot aan deze uitspraak begroot op f 2.875, -- , op de voet van artikel 57b Rv. te voldoen aan de Griffier.
Dit arrest is gewezen door Mr. Ras, als voorzitter, Mrs. De Groot, Hermans, Verburgh en Boekman, raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op 6 oktober 1989.