Civiel recht overig

Hoge Raad · Cassatie · Civiel recht overig

Hoge Raad, 5 april 2002

Zaakgegevens

Op 5 april 2002 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 april 2002
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
C00/188HR
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. J.B.M.M Wuisman, mr. R.S. Meijer
ECLI
ECLI:NL:HR:2002:AD9118
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 5 april 2002deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2002:AD9118

  2. Conclusie A-G · 5 april 2002

    ECLI:NL:PHR:2002:AD9118

Uitspraak

5 april 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/188HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman,

t e g e n

ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 11 december 1992 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Bank - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd de Bank bij vonnis, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 55.929,62, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 1991.

De Bank heeft de vordering gemotiveerd bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 4 november 1998 de vordering toegewezen.

Tegen dit vonnis heeft de Bank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij memorie van grieven heeft de Bank vernietiging van voormeld vonnis gevorderd alsmede terugbetaling door [eiseres] van een bedrag van ƒ 92.305,62, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling, zijnde 21 december 1998.

[Eiseres] heeft voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.

Bij arrest van 2 maart 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd, de vorderingen van [eiseres] afgewezen en [eiseres] veroordeeld tot terugbetaling aan de Bank van een bedrag van ƒ 92.305,62 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 december 1998.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de bank begroot op € 729,32 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 5 april 2002.