Civiel recht overig
Hoge Raad · Cassatie · Civiel recht overig
Hoge Raad, 1 maart 2002
ECLI:NL:HR:2002:AD9698 · Hoge Raad · 1 maart 2002
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2002-ad9698
Zaakgegevens
Op 1 maart 2002 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 maart 2002
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C00/260HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. ir. P.J.A Prinsen, mr. J.H.M. van Swaaij
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2002:AD9698
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 1 maart 2002deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2002:AD9698
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 maart 2002
ECLI:NL:PHR:2002:AD9698
Uitspraak
1 maart 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/260HR
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats], België,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. ir. P.J.A. Prinsen,
t e g e n
MAATSCHAP WESTELIJKE ACCOUNTANTSKANTOREN ZEELAND, gevestigd te Oostburg,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij.
1. Het geding in feitelijke instantie
Verweerster in cassatie - verder te noemen: WEA - heeft bij exploit van 1 april 1999 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Terneuzen en gevorderd [eiser] te veroordelen om aan WEA te betalen ƒ 2.873,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Eiser] heeft de vordering bestreden.
De Kantonrechter heeft bij vonnis van 23 februari 2000 [eiser] veroordeeld om aan WEA te betalen een bedrag van ƒ 2.729,51, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 2.373,49 vanaf 30 oktober 1998 tot de dag der voldoening en het meer of anders was gevorderd afgewezen.
Het vonnis van de Kantonrechter is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Kantonrechter heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
WEA heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor WEA toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de kosten.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van WEA begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 1 maart 2002.