Civiel recht overig
Hoge Raad · Cassatie · Civiel recht overig
Hoge Raad, 25 april 2003
ECLI:NL:HR:2003:AF4635 · Hoge Raad · 25 april 2003
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2003-af4635
Zaakgegevens
Op 25 april 2003 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 april 2003
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C01/355HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.C.J Smallenbroek, mr. M.J. Schenck
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2003:AF4635
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 25 april 2003deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2003:AF4635
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 april 2003
ECLI:NL:PHR:2003:AF4635
Uitspraak
25 april 2003
Eerste Kamer
Nr. C01/355HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.C.J. Smallenbroek,
t e g e n
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST ONDERNEMINGEN TE 's-GRAVENHAGE, gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.J. Schenck.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploit van 27 juni 1996 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen om aan de Ontvanger te betalen een bedrag van ƒ 93.044,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 november 1994, althans (subsidiair) de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, en [eiser] te veroordelen in de kosten van dit geding daaronder begrepen de kosten van het gelegde beslag en de betekening daarvan.
[Eiser] heeft in conventie verzocht de Ontvanger niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair de onverschuldigde betaling van ƒ 205.005,-- van [eiser] tot het bedrag van de vordering van de Ontvanger te compenseren en in reconventie - voor zover in cassatie nog van belang - een vordering uit onverschuldigde betaling ten belope van ƒ 152.513,-- ingesteld.
De Ontvanger heeft in reconventie de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 26 mei 1999 in conventie [eiser] veroordeeld om aan de Ontvanger te betalen een bedrag van ƒ 80.250,-- en zowel het in conventie meer of anders gevorderde als de vordering in reconventie afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij tussenarrest van 17 mei 2001 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [eiser] en iedere verdere beslissing aangehouden.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.W. Ilsink strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot casatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 1.019,74 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 25 april 2003.