Civiel recht overig
26 maart 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/089HR JMH/IS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van…
Hoge Raad, 26 maart 2004
ECLI:NL:HR:2004:AO3174 · Hoge Raad · 26 maart 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2004-ao3174
Zaakgegevens
Op 26 maart 2004 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 maart 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R03/089HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.Th.R.F Carli, mr. J. van Duijvendijk-Brand
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2004:AO3174
Samenvatting
26 maart 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/089HR JMH/IS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli, t e g e n LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN, gevestigd te Gouda, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand. 1. Het geding in voorgaande instanties...
Procesgang
Hoge Raad · 26 maart 2004deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2004:AO3174
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 maart 2004
ECLI:NL:PHR:2004:AO3174
Uitspraak
26 maart 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R03/089HR
JMH/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,
t e g e n
LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN,
gevestigd te Gouda,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
1. Het geding in voorgaande instanties
Voor de loop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van 6 december 2002, nr. R02/028, NJ 2003, 62. Bij deze beschikking heeft de Hoge Raad [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de beschikking van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 januari 2002, gegeven tussen verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - en verweerder in cassatie - verder te noemen: het LBIO -, waarbij het LBIO ontvankelijk in het hoger beroep tegen de beschikking van de president van de rechtbank te Maastricht van 12 september 2001 is verklaard en iedere verdere beslissing is aangehouden. Bij beschikking van 12 september 2001 heeft de president ambtshalve bepaald dat de tegen [verzoeker] aangevangen lijfsdwang niet verder ten uitvoer zal worden gelegd.
Na voortzetting van de mondelinge behandeling op 3 april 2003 heeft het hof bij eindbeschikking van 8 mei 2003 de tussen partijen gegeven beschikking van de president van de rechtbank te Maastricht van 12 september 2001 vernietigd en [verzoeker] in de proceskosten aan de zijde van het LBIO veroordeeld, zoals in het dictum van deze beschikking is vermeld.
De beschikking van het hof van 8 mei 2003 is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen laatstvermelde beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatie-rekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het LBIO heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van verzoeker tot cassatie in de kosten.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het LBIO begroot op € 227,69 aan verschotten en € 1.135,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 26 maart 2004.