Civiel recht overig
25 juni 2004 Eerste Kamer Nr. C03/116HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser]…
Hoge Raad, 25 juni 2004
ECLI:NL:HR:2004:AO6929 · Hoge Raad · 25 juni 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2004-ao6929
Zaakgegevens
Op 25 juni 2004 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 juni 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C03/116HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P Garretsen, mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2004:AO6929
Samenvatting
25 juni 2004 Eerste Kamer Nr. C03/116HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n ABN AMRO Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Procesgang
Hoge Raad · 25 juni 2004deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2004:AO6929
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 juni 2004
ECLI:NL:PHR:2004:AO6929
Uitspraak
25 juni 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/116HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
ABN AMRO Bank N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: de bank - heeft bij exploot van 11 februari 1997 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen om aan de bank tegen kwijting te betalen een bedrag van ƒ 43.670,64, te vermeerderen met rente.
Nadat tegen [eiser] verstek was verleend, heeft de rechtbank bij verstekvonnis van 11 juni 1997 de vordering van de bank toegewezen.
Bij exploot van 28 juli 1999 is [eiser] tegen voormeld verstekvonnis in verzet gekomen en heeft hij gevorderd hem te ontheffen van de tegen hem uitgesproken veroordeling, en de bank niet-ontvankelijk te verklaren, althans de inleidende dagvaarding nietig te verklaren.
De bank heeft in oppositie de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 24 januari 2001 het verzet afgewezen.
Tegen laatstvermeld vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 22 augustus 2002 heeft het hof het vonnis van 24 januari 2001 bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de bank mede door mr. J.H.M. van Swaaij, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de bank begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 25 juni 2004.